• ACN

Nijmegen door de ogen van … ex-dakloze Ton

Tekst en foto's: Fabian de Bont

Iedereen bekijkt de stad met andere ogen. De architectuur, de openbare ruimte en sociale ruimte van Nijmegen ervaart de een op een andere manier dan de ander. Hoog//diep gaat op pad met verschillende stadsbewoners uit alle hoeken van de samenleving. Door welke ogen zien zij de stad? Deze keer: Ton, een voormalig dakloze.


Jarenlang ging het ochtendritueel van Ton (63) als volgt: eerst kroop hij uit zijn slaapzak en vouwde hij het karton op waaronder hij die nacht had geslapen. Dan stopte hij dat alles in twee grote supermarkttassen om vervolgens, vaak vanuit de beschutte bosjes rondom de Radboud Universiteit, naar het sportcentrum te lopen. Aldaar propte hij zijn bezittingen in twee kluisjes.


En dan was Ton voor die dag vrij.


Op zo’n dag zette hij koers richting stadscentrum. Daar zat hij op de bankjes rond het Kelfkensbos en dronk biertjes, had gesprekken met andere mensen zonder vaste woonplaats. Of hij rookte ergens wat en schreef een gedicht. Hij ging daglonen - papier prikken op straat voor een paar tientjes. Vele uren zat hij in de Universiteitsbibliotheek, waar hij filmpjes van Indiase dansers bekeek.


Buitenslapers

Exacte cijfers zijn er niet, maar het aantal mensen dat in Nijmegen op straat leeft, schommelt volgens De Gelderlander al jaren tussen de tweehonderdvijftig en vierhonderd. Sommige van hen zijn dakloos, ze slapen op straat of in de nachtopvang. Anderen zijn thuisloos, ze staan wel geregistreerd op een adres, maar zijn vooral op straat te vinden. Voor hen is de stad geen verlengde van hun huis. Nee, de stad ìs hun huis, hun woonkamer. En als je zo vaak buiten bent, bekijk je de stad met andere ogen dan de gemiddelde Nijmegenaar.


‘Elk mens heeft angsten, maar bij mij waren ze te groot. Als ik te lang op één plek bleef, overvielen de gedachten mij.’

Zo ook Ton. De allereerste keer dat hij in Nijmegen kwam, was tijdens zijn dienstplicht op Heumensoord in 1978. Hij ging die zomer naar de Vierdaagse. ‘De militairen, de mensen, het feest. Het was een bijzondere sfeer,’ zegt hij daar over. ‘Ik voelde mij thuis, welkom.’ In die tijd daarna zwierf hij door Nederland op de fiets. ‘Elk mens heeft angsten, maar bij mij waren ze te groot. Als ik te lang op een plek bleef, overvielen de gedachten mij.’

Toch keerde Ton regelmatig terug naar Nijmegen. ‘Ik zwierf in de buurt van Weert. Daar werd het op straat leven niet gewaardeerd. Als ik werd opgepakt, zei de politie: “Ga maar naar Roermond of zo, maar niet hier.”’ In Nijmegen gebeurde dat niet, vertelt hij. Sterker nog: er was opvang en bij een van die adressen, de Nachtopvang uit Noodzaak Nijmegen (NuNN), kon Ton een postadres krijgen. ‘Vanaf dat moment ben ik hier gebleven, ik denk dat het 2012 was.’


Nu is het woensdagmiddag en zit Ton voor de Titus Brandsmakapel aan de Kroonstraat, vlakbij het Kronenburgerpark. Daar deelt straatpastor Lucy Geertman van Stichting Het Kruispunt op gezette tijden koffie, koeken en boterhammen uit. ‘We proberen de dak- en thuislozen en oudgedienden een plek te bieden om samen te komen,’ legt Lucy uit. ‘Ik luister naar hun verhalen en probeer te helpen waar kan.’


Langzaam breekt de februarizon door. Het is koud, zo’n zeven personen zijn komen opdagen. Af en toe waaien mensen aan, drinken koffie en verdwijnen weer. ‘We begonnen met koffie uitdelen in het park,’ vertelt Lucy. ‘Maar uiteindelijk heeft de politie gevraagd of we dichter bij de kapel konden gaan staan, we stonden te veel in het zicht.’

Bankjes

Een van de andere koffiegangers, Anton, herinnert zich de jaren zeventig en tachtig, toen iedereen in het park rondliep. ‘Junks, hoeren, daklozen - alles liep door elkaar, het was een gezellige tijd.’ Volgens Anton is dat niet meer, en wil de gemeente hen zoveel mogelijk uit de parken hebben. ‘Bij de viskraam, onderaan het Kronenburgerpark stonden meer bankjes, maar die zijn weggehaald.’ Ook wijst hij op de opkomst van de mobiele telefoon. ‘Mensen zien je zitten en bellen gelijk over overlast. Vroeger was dat minder.’


De pandemie maakte de stad als woonkamer kleiner. Vele openbare ruimten zoals de bibliotheken sloten, waar veel dak- en thuislozen rondhingen.


Anton mist de bankjes. Hij zit veel op de betonnen bankjes in de Lange Hezelstraat, ook al heeft hij in de stad een appartementje. ‘Maar thuis heb ik niets, ik heb geen familie - ik heb alleen een etalagepop waartegen ik wat kan praten.’ Anton werkte jarenlang in een fabriek voor babyvoeding, waardoor hij een slechte rug kreeg. Tijdens de coronapademie merkte hij dat bankjes verdwenen, ‘zogezegd vanwege de anderhalve meter, maar die bankjes heb ik nodig. Voor mijn rug, maar ook voor het contact - in zo’n winkelstraat heb je veel aanspraak.’

Daklozen-onvriendelijke bankjes in Nijmegen | Foto door Fabian de Bont


De pandemie maakte de stad als woonkamer kleiner. Vele openbare ruimten zoals de bibliotheken sloten, waar veel dak- en thuislozen rondhingen. Bepaalde opvangen, zoals Het Kasteeltje, hanteerden een strenger beleid: alleen de buitenslapers konden er nog terecht, de thuislozen waren even niet welkom. Het station werd moeilijker toegankelijk. De poortjes, enkel toegankelijk met een OV-chipkaart, belemmeren nu de binnenkomst. Ook zitten op steeds meer bankjes armleuningen, waardoor liggen lastig is. Meerdere daklozen vertellen dat ze de kluisjes op het station missen, waardoor ze nu heel de dag met hun spullen moeten zeulen.


Of er daadwerkelijk sprake is van hostile architecture - het bewust onaantrekkelijk inrichten van de openbare ruimte voor bijvoorbeeld daklozen en hangjongeren of hangouderen - is lastig te zeggen, meestal zijn het onbedoelde effecten van stadsvernieuwing. Wel valt op dat de gesproken daklozen voor dit stuk erop wijzen dat het buiten slapen steeds vaker buiten het centrum gebeurt - in de Ooijpolder, rond de Waalstrandjes, langs de Ubbergseveldweg. Buitenslapers zoeken vaak naar een plek waarbij ze relatief beschut liggen: afdakjes, oude panden en bosjes. ‘Nijmegen is groot. Zelf ging ik veel naar Hatert,’ vertelt een van hen. ‘Het is de kunst zo te liggen, dat mensen jou niet zien, maar jij iemand wel ziet aankomen.’


Uit het centrum

In het centrum zijn nog wel enige beschutte plekken, zoals de bankjes onder de Waalbrug. Daar wordt het drinken van bier gedoogd. Of een aantal beschutte plekken rond het Valkhofpark. Ook het Keizer Karelplein is een fijne plek, als je het verkeer van de rotonde kunt trotseren. De buitenslapers zoeken vaak een warme, beschutte plek op, zoals bijvoorbeeld de tunnel onder het casino, vlakbij de Waalkade. Daar is een grote ventilator die vanuit een parkeergarage warme lucht blaast. Wel vertellen de daklozen dat veel van hen kampen met een verslaving, vaak drugs- of alcoholgerelateerd. ‘En als je ver heen bent,’ vertelt een van hen. ‘Dan maakt het niet meer uit waar je precies slaapt, als je maar ergens kan liggen.’


Ook de stadsontwikkelingen hebben effect op het leven van de dak- en thuisloze. Er moeten meer woningen bijkomen, de stad wordt compacter en schoner. Veel van hen woonden bijvoorbeeld anti-kraak, vertelt straatpastor Lucy Geertman. ‘In oude gebouwen, zoals het grote kantoorgebouw tegenover het station.’ Deze plekken worden gesloopt, vaak voor nieuwbouw. Ook waren de lege wagons achter het Nijmeegse station een favoriete slaapplek - deze zijn inmiddels verkocht.


‘Maar ik heb buiten nodig. Binnen word ik onzeker, ik word wakker, weet niet hoe laat het is - ik zet een videoband op, ik heb nooit rust.’


Uiteindelijk zou het mooi zijn als de gemeenschap van dak- en thuislozen een plekje in de stad krijgen. En die zijn er ook, zoals tijdelijk op het terrein van De Hulsen aan de Nieuwe Dukenburgseweg, maar het mooiste zou zijn als een groot deel van hen uiteindelijk ergens kan wonen.

Hangplek bij de Waalbrug | Foto door Fabian de Bont


Voor Ton is aan het buitenslapen inmiddels een eind aan gekomen. Via de GGD kreeg hij een kleine woning aangeboden in Nijmegen. ‘Ik ben daar heel dankbaar voor,’ zegt Ton. Hij houdt zich bezig met God en spiritualiteit en verzorgt de kat. ‘Maar ik heb buiten nodig,’ zegt hij. ‘Binnen word ik onzeker, ik word wakker, weet niet hoe laat het is - ik zet een videoband op, ik heb nooit rust.’


En als dat gebeurt, pakt hij zijn fiets, en zet Ton koers richting het stadscentrum.


Verantwoording: oor dit verhaal sprak Fabian de Bont zes (voormalig) dak- en thuislozen. Hun ervaringen zijn verwerkt in dit stuk. Niet allemaal wilden ze met (volledige) naam genoemd worden. Verder veel dank aan straatpastor Lucy Geertman van Stichting Het Kruispunt en Bernard Kregting van stichting Vagebond.









285 weergaven

Gerelateerde posts

Alles weergeven