top of page

Op naar een nieuwe bouwcultuur

  • Foto van schrijver: ACN
    ACN
  • 14 apr
  • 7 minuten om te lezen

Onderstroom | 31.03.2026 | terugblik

 

De bouwsector draagt bij aan 39% van de wereldwijde CO2-uitstoot. Bouwen zonder negatieve milieu- en klimaatimpact zou een enorme stap zijn naar een duurzame samenleving. In de onderstroom wil een voorhoede van architecten met regeneratief bouwen niet alleen klimaatneutraal zijn, maar zelfs het milieu verbeteren. De overgang naar een compromisloze biobased bouwcultuur is daarvoor essentieel. Op 31 maart spraken in de NYMA Makersplaats architecten Janna Bystrykh, Jan Nauta en Daan Bruggink over de nieuwe bouwcultuur.


 

‘Ik ben architect, maar spreek vanavond vooral als onderzoeker en onderwijzer.’ Zo introduceerde Janna Bystrykh zichzelf aan het begin van haar presentatie. In haar werk focust ze zich op het koppelen van bouw aan natuur, vertelde ze. ‘Met technische oplossingen is het niet meer haalbaar om te komen tot klimaatbestendig wonen. We moeten toe naar meer natuurinclusief bouwen.’


De grote graszode

Bystrykh dook het verleden in en liet zien dat de mens zich door de geschiedenis heen op verschillende manieren heeft verhouden tot de natuur. Ze toonde een plaatje van De grote graszode van Albrecht Dürer, een schilderij uit 1503. Hierin is voor het eerst in de kunstgeschiedenis natuur niet afgebeeld vanwege schoonheid, maar vanwege de natuur zelf. Gras als gras, vanuit het perspectief van de natuur. ‘We bewegen van het beheersen van natuur naar het samenleven met natuur.’



Toch is in de omgang van de mens met natuur ook juist iets verloren gegaan. Vroeger konden boeren hun eigen gebied lezen, legde Bystrykh uit. Door technologie is deze vaardigheid grotendeels verdwenen. ‘Maar sommige boeren houden zich hier weer mee bezig. Zij werken extensief. Ze leven met het landschap en beheren oud gras dat ze niet ploegen en niet chemisch behandelen. De productie is minder hoog, maar daardoor kunnen er 35 plantensoorten groeien en stijgt het aantal soorten vogels in het gebied aanzienlijk. Ook wordt het juiste waterpeil gehaald.’   


Bodem en hout

Ook in de bouw kan heel anders worden gekeken naar het landschap, betoogde Bystrykh. Ze wees op de mogelijke rijkdom van de bodem. ‘Als je bij het bouwen rekening houdt met de bodem, kunnen er vitale bodemnetwerken ontstaan en krijg je veel diversiteit.’ Verder is er in de bouw veel mogelijk met biobased materialen. ‘Tegenwoordig heb je houtconstructies met leem bovenin. Zo ontstaat een thermische massa, wat leidt tot een afgebakend klimaat met natuurlijke producten.’ Voor hout kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van bomen die in een bos brandgevaarlijk zijn. ‘Als je die weghaalt, komt er ruimte voor andere bomen.’ 


Bystrykh ging nog verder in op leem. ‘Wat als we grond die we afgraven niet elders storten, maar gebruiken als leemblokken?’ De eerste aanzetten zijn er. In Brussel worden leemblokken geproduceerd, vertelde ze. In Nederland heb je het bedrijf Oskam dat machines maakt voor leemproducten, en in Parijs zijn tachtig projecten in de publieke sector opgezet met biobased materialen, ook met leemblokken. ‘Om biobased bouwen echt van de grond te krijgen moeten we meer samenwerken met boeren’, concludeerde Bystrykh.



Climate Curriculum

Aan het einde van haar presentatie gaf ze kort uitleg over het Climate Curriculum van de Academie van Bouwkunst in Amsterdam. Dit curriculum bestaat sinds enkele jaren en is gericht op een nieuwe benadering van het leren en onderwijzen van architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur. In het eerste jaar worden concepten geanalyseerd. ‘Wat betekent ecosysteem in de bouw? Kan een gevel een levendig systeem zijn? Het gaat om ‘unlearning’ van de gebruikelijke benadering.’ Het tweede jaar gaat in op ‘building ecologies’. ‘Waar komen materialen vandaan? Wat als je voor de fundering palen van hout gebruikt? Dit onderzoeken de studenten.’ In het derde jaar worden de ‘climate’-principes toegepast op complexe, integrale projecten en in het vierde jaar draait het om het afstuderen.


Stadsbuurt, stationsingang en woonwijk

Vervolgens was het de beurt aan architect Jan Nauta (Studio Nauta). Hij sprak over drie projecten. In Zwolle won hij de ontwerpprijsvraag voor biobased en natuurinclusief bouwen op de Nieuwe Markt. In deze nieuwe stadsbuurt gaat het om een ensemble van wonen en werken, vertelde hij. ‘We zijn volledig voor hout gegaan. Ook hebben we het gefragmenteerd opgezet, om zo de natuur toegang te geven tot dit menselijke terrein.’ De gebouwen zijn verbonden met bruggen, zo min mogelijk liften, en ze zijn iets verhoogd, zodat slangen en egels onder de gebouwen door kunnen. Verder is gekozen voor leemvloeren in combinatie met houtleem. ‘Dan is er geen vloerverwarming nodig’, legde Nauta uit. De bouwonderdelen worden niet aangeleverd in modules, maar in vlakke delen. Op die manier nemen ze bij het vervoer minder ruimte in en dat is minder vervuilend.  



Het tweede project van Nauta betrof de ‘Stadslantaarn’, de nieuwe noordentree van Station Zwolle. Hierbij was de opdracht om het stationsplein goed af te maken en beter te laten aansluiten op het stadscentrum. ‘We wilden er het groenste station van Nederland van maken, met zo min mogelijk materialen en zo veel mogelijk hergebruik. Verder gingen we voor biobased en voor het opwekken van eigen energie voor Prorail.’ Nauta gaf Alucobond, robuuste aluminium panelen, een tweede leven omdat dit materiaal erg belastend is voor het milieu. Het werd uit het plafond gehaald en voor de gevel gebruikt. Het hardglas in de entree is afkomstig uit een oude geluidswand. ‘Ook hebben we alle staalconstructies hergebruikt op andere plekken.’


Voor de nieuwe woonwijk De Kazerne in Gouda, het derde project dat Nauta heel kort uitlichtte, ging hij in tegenstelling tot andere projectgegadigden uit van behoud van de legerkazerne. ‘Het casco past goed voor woningbouw’, vertelde hij. ‘Het dienstgebouw toppen we op en we maken gebruik van houten cassettes.’ Vlak voordat hij het podium verliet, ging hij nog even in op een project in de buurt: het terrein van de afgebrande steenfabriek in de Ooijpolder waar 220 woningen komen.  


Biophilia in Oirschot en Almere

De derde spreker, Daan Bruggink (ORGA architects), komt oorspronkelijk uit Nijmegen. ‘Ik wilde vroeger bioloog worden, dat kwam mede doordat er rondom Nijmegen zoveel natuur is’, zei hij. ‘Maar ik was slecht in wiskunde.’ Uiteindelijk werd hij een architect die vooral kijkt naar de verbinding tussen architectuur en natuur. In Oirschot wordt dat concreet met een project van 400 tot 600 woningen waarbij het landschap terug te vinden is in de architectuur, door middel van circulair en biobased bouwen. ‘Het voordeel van het gebruik van lokaal materiaal is dat het al gewend is aan het plaatselijke klimaat en het landschap.’



Bruggink vertelde dat hij zich voor zijn werk laat leiden door het principe van biophilia, de aangeboren menselijke verbinding met natuur. ‘We zijn ontstaan in de natuur, leven onder de sterren, maar de laatste 200 jaar zijn we in een kunstmatige omgeving terechtgekomen.’ Hij wil de verbinding herstellen, want het levert veel op. ‘Hoe meer we buiten komen, hoe beter we ons voelen. We worden ook productiever.’


Voor een basisschool in Almere ontwierp de architect een nieuw gebouw met natuurlijke materialen. Daarmee is dit de eerste volledig ecologische school van Nederland. Ieder lokaal heeft een lemen wand wat de thermische massa vergroot, legde hij uit. Verder is niet alleen naar de materialen gekeken, maar ook naar de toekomst; dat het gebouw functioneel blijft. Volgens Bruggink heeft het gebouw invloed op het welbevinden van de gebruikers. ‘De schooldirecteur zegt dat de leerlingen beter scoren en rustiger zijn. Bij het personeel is er minder verloop en zijn er minder mensen ziek.’


Regeneratief bouwen is waar we naartoe moeten, betoogde Bruggink tot slot. ‘Dat is de volgende stap. We richten ons op dit moment bij CO2-uitstoot op nul, maar dat is niet genoeg. We moeten de plus in, de omgeving verbeteren door te kijken naar bodemleven, water en biodiversiteit.’ Eerst was er de energietransitie, toen de materiaaltransitie en straks zal het steeds meer naar een welzijnstransitie gaan, volgens de architect. ‘Dat brengt ons naar regeneratief.’



Hoe kom je tot een grote omslag?

Na deze presentatie volgde een nagesprek met de drie architecten en programmamaker Camiel Hendriks. Hendriks wilde weten of zij met hun regeneratieve benadering niet de 1 procent zijn van alle Nederlandse architecten. Daar had hij een punt, gaven de sprekers toe. ‘Onze klimaatdoelen halen we niet op de manier zoals het bouwen nu gaat’, zei Bystrykh. ‘Mijn studenten storten aan het begin van de week beton en hebben het op vrijdag op de academie over ecosystemen. De race is nog lang niet begonnen.’  


Wat is er nodig voor een omslag? Nauta gaf aan dat dit bij de politiek ligt. ‘De kennis hebben we al, maar er zit nog een financieel gat. Ik zie dat vooral familiebedrijven welwillend zijn, maar grote bedrijven nog niet.’ Bystrykh vulde aan: ‘Er zijn economische redenen nodig om het grote deel van bedrijven mee te krijgen.’ Dat biobased bouwen zo’n 10 procent duurder is, moet volgens Bruggink in perspectief worden gezien. ‘Het is sneller, beter en schoner. Wel is het materiaal iets duurder, maar dat is slechts 1 procent. 9 procent gaat om het proces, omdat het onbekend is duurt het langer; het gaat om kleine partijen op kleine schaal.’ Bystrykh: ‘Wat meespeelt is dat slopen onderdeel is van het economisch mechanisme.’ ‘Slopen is een verdienmodel’, verduidelijkte een bezoeker. In het onderwijs heerst wel optimisme, zei Bystrykh. ‘De trein waar we op zitten heeft een eindstation, daar zijn studenten zich bewust van. Bij hen zie ik veel beweging.’



Hendriks was benieuwd hoe ze hun eigen rol zien bij de transformatie naar een nieuwe bouwcultuur. Nauta ziet vooral mogelijkheden in inspireren en lobbyen, vertelde hij. ‘Als je een bouwbedrijf bijvoorbeeld meeneemt naar een zagerij en laat zien hoe het werkt, dan willen ze niets anders meer. Het is op zoveel vlakken beter en gezonder.’ Bystrykh is van mening dat het gesprek maatschappelijker moet worden gemaakt. ‘We praten vaak tegen onszelf, zoals nu. We moeten ook met andere organisaties praten, dat is een rol voor de komende jaren.’  Beiden pleitten ook voor kennisdeling binnen de sector. Nauta: ‘Open source denken is heel belangrijk voor ons vakgebied. Artsen doen dat ook. Stel dat ze dat niet zouden doen, dat kan toch niet?’


Europese richtlijnen

Een bezoeker stelde aan het einde van het programma de vraag of Europese richtlijnen kunnen helpen de transitie voort te stuwen. ‘Die richtlijnen zijn helder’, zei Bruggink, ‘maar we hebben nationaal veel tegenslag gehad tijdens het kabinet Schoof. Nu is er een minderheidskabinet en is het nog afwachten.’ Maar er blijven ook dingen lopen, stelde Bystrykh. ‘Vanaf 2030 komt er echt een versnelling, maar daarvoor ook al.’ Bruggink: ‘Er wordt ook veel niet geremd. In kleine gemeenten geldt dat als iemand het wil, dan gebeurt het.’ Nauta: ‘Er komen veel kansen, want er is minder tijd.’     

 

Illustratie: Smoove Business
Illustratie: Smoove Business

 
 
 

Opmerkingen


CONTACT
OVER

Architectuurcentrum Nijmegen (ACN)

Winselingseweg 16, U-74

6541 AK Nijmegen

06 11 62 02 17

info@architectuurcentrumnijmegen.nl

www.architectuurcentrumnijmegen.nl

Architectuurcentrum Nijmegen (ACN) verbindt mensen, kennis en ideeën om samen te bouwen aan een stad voor iedereen. Ruimtelijke uitdagingen, zoals de klimaat- en woonopgave en energie- en mobiliteitstransitie, raken ons allemaal. We zien het daarom als onze missie om het gesprek te voeren over onze leefomgeving door mensen met verschillende achtergronden bij elkaar te brengen. 
Lees meer...

logo-nijmegen-rgb_edited.avif
ba5b61_bd913bb8fab64e0baa2cffc5b802573e~mv2_d_3508_2480_s_4_2.avif
ba5b61_ebe2cb07f32d4701b6e59c9178490081~mv2.avif
thumb_49.avif

© Stichting Architectuurcentrum Nijmegen 2021 | Alle rechten voorbehouden

bottom of page