top of page

Sociale hoogbouw

  • Foto van schrijver: ACN
    ACN
  • 23 jun
  • 8 minuten om te lezen

Stadszaken | 16.06.26 | Terugblik

Tekst: Willem Claassen | Foto's: More or Less design


Nijmegen groeit en bouwt de komende jaren ook de hoogte in. Welke basisprincipes moet je als stad hanteren om de sociale kwaliteit in hoogbouw te waarborgen? Op 16 juni vond een nieuwe editie van Stadszaken plaats, met sociaal architect Ruby van den Munckhof en stedenbouwkundigen Bram van Ooijen en Wander Hendriks als gasten. In de NYMA makersplaats spraken ze over hoe de leefkwaliteit van nieuwe Nijmeegse hoogbouw kan worden gegarandeerd.



De avond werd geopend met een voorgedragen column van landschapsarchitect Mascha Onderwater. Zij liet zich kritisch uit over hoogbouw, met de nog te bouwen Nijmeegse woontoren Duet als voorbeeld. Ondanks dat de sociale ambities bij het ontwerp van dit gebouw hoog waren, moesten die later weer bijgesteld worden. Onderwater hekelde dat Duet wordt geprezen als hoogste toren van Oost-Nederland. ‘Niet de beste, maar de hoogste. Alsof je aan hoogte de kwaliteit kunt zien.’ Ze vindt hoogbouw niet bepaald een must. ‘Hoogte creëert afstand, ook tot elkaar. En hoe hoger je bouwt, hoe meer kosten je hebt. Daar komt bij dat het niet milieuvriendelijk is.’


Flatneurose

Het sociale aspect pakt bij hoogbouw vaak niet goed uit, volgens Onderwater. ‘Bewoners parkeren onderin, pakken de lift en vluchten naar hun woning. “Flatneurose” heette dat vroeger. Sociale isolatie in hoge vorm. En dan wordt er gesproken over “levendige plint”. Klinkt mooi, maar vaak krijgen lokale initiatieven niet de ruimte om te landen.’ Ze vroeg zich af waarom we die hoogbouw willen. ‘Past het bij de stad? Proberen we stedelijkheid na te bootsen?’ Nijmegen is volgens haar juist van de menselijke maat. ‘Liever discussiëren dan imponeren. Misschien moeten we het gesprek niet voeren vanuit hoogte, maar vanuit nabijheid. Laten we niet streven naar de hoogste toren, maar naar een toren waar de buren elkaars naam kennen.’



De andere sprekers van de avond reageerden op de column. Wander Hendriks, stedenbouwkundige bij de gemeente Nijmegen, was het ermee eens dat je ernaar moet streven dat bewoners weten wie hun buren zijn. Hij ziet ook succesvolle hoogbouw in de stad, zoals de Erasmustoren en 52Nijmegen. ‘Dat komt door de inhoud en de goede plint.’ De gemeente heeft geen aparte hoogbouwvisie, maar wel een visie op hoogbouw binnen de omgevingsvisie. Hendriks: ‘We zien hoogbouw als een van de mogelijkheden, daarom willen we niet alleen een visie op hoogbouw.’


Sociaal architect Ruby van den Munckhof gaf aan dat het sociale aspect bij hoogbouw op dit moment van groot belang is. ‘We hebben te maken met polarisatie, dat zorgt voor burenruzies en eenzaamheid. Het leeft in de hele samenleving. Ik merk dat daardoor meer ruimte is voor leefbaarheid.’   


Bram van Ooijen houdt zich bezig met de Rotterdamse Rijnhaven, waar sprake is van veel hoogbouw. Hij werkte mee aan een hoogbouwvisie. ‘We zoeken naar de vraag achter de vraag’, vertelde hij. ‘Torens schieten de lucht in, maar er is weinig ruimte voor ontmoeting. Hoe borg je dat en met welke instrumenten?’



Tussenruimte

Van Ooijen (UFO urbanism) gaf vervolgens een lezing over de Ontwerpgids Sociale Kwaliteit Rijnhaven, die hij samen met architect Harmen van de Wal maakte. Hij legde uit dat er veel theorie is te vinden over sociale hoogbouw, maar dat er weinig is vastgelegd in concrete bouwregels. ‘Daar moeten we een stap maken.’ Iedere gemeente heeft een sociale visie over onder andere gelijke kansen en samen opgroeien, maar dit blijven vaak abstracte doelen. ‘Het sociale domein is enorm verkokerd. Vaak bevinden ze zich in de wijk en zitten ze verborgen voor ontwerpers.’ Er is een beleidsstuk nodig tussen visie en de concrete uitwerking van gebiedsontwikkeling, zei Van Ooijen. ‘Het gaat om de tussenruimte: hoe je ontwerpt, financiert en beheert.’


Voor de ontwerpgids richtte Van Ooijen zich op bestaande buurten en nieuwbouwwijken. De bestaande buurten zijn gebouwd vanuit het idee van sociale maakbaarheid van ongeveer 70 jaar geleden. ‘Ze zijn ingehaald door de tijd. Mensen hebben tegenwoordig minder binding met waar ze wonen en leven.’ In deze buurten is vaak veel armoede en zijn voorzieningen niet levensvatbaar. ‘Hoe geef je dat een nieuwe impuls, zodat het weer jaren meekan?’ Daar komen kosten bij kijken. Gemiddeld kost sociale zorg per inwoner 750 euro per jaar, maar op sommige plekken is dat drie keer zo hoog. ‘Als je dat doorrekent, gaat het om 41 miljoen euro voor een buurt. Kun je besparen op die kosten?’


Bij een nieuwbouwwijk draait het om preventie, vertelde Van Ooijen. ‘Zorgen dat je niet te maken krijgt met sociale problematiek.’ Maar als je deze wijken vergelijkt met die van 60 jaar geleden dan doemen er nieuwe vraagstukken op. ‘De dichtheid van mensen op een oppervlak is drie keer zo hoog. De sociale ruimte is verplaatst naar de gebouwde leefomgeving.’ Hoe borg je de sociale structuur? ’70 jaar geleden droegen we een witte jas en staken de hand op: wij hebben de oplossing. Nu is het kijken naar wie de eigenaar is van het vraagstuk.’



Twee procent

Voor de ontwerpgids maakte Van Ooijen een schaalindeling: straat, buurt en stad. Per schaal wordt gekeken naar hoeveel en wat voor soort sociale ruimte er nodig is. Ook is er aandacht voor de overgangen tussen de schalen. ‘We hebben het simpel gehouden, zodat iedereen een eigen vertaling kan maken.’


Er is meer ruimte nodig voor sociale kwaliteit, maar om hoeveel vierkante meter gaat het in een gebouw? Van Ooijen liet enkele Rotterdamse gebouwen de revue passeren, met verschillende afmetingen van gemeenschapsruimtes. Via deze weg kwamen ze tot een minimale eis, vertelde hij. ‘Dat is twee procent. Dat mag alleen op het niveau van buurt en straat zijn. En er is altijd meer mogelijk dan twee procent.’


Ga niet meteen bouwen, maar begin eerst met de buurt en de gemeenschap, stelde Van Ooijen. ‘De ontwerpgids is niet de heilige graal, je moet er gezamenlijk naar kijken om te kunnen herijken.’



Software, orgware en hardware

Presentator en ACN-directeur Dave Willems vroeg na de lezing aan Van Ooijen of er naast het bouwbesluit een sociaal bouwbesluit zou moeten komen. ‘Dan komt het in een heel nauw document’, antwoordde Van Ooijen. ‘De ene bewoner heeft meer behoefte aan een gemeenschappelijke ruimte dan de ander.’ Het gaat er volgens hem om dat je het niet aan de achterkant bedenkt, maar dat hoe je programmeert (software) en hoe je bewoners eigenaarschap geeft (orgware) de basis vormen voor het ruimtelijke ontwerp (hardware).


Een van de toehoorders wilde weten hoe je ontmoetingsruimtes combineert met brandveiligheidseisen. Soms is zo’n plek namelijk niet mogelijk, omdat er een brandweerwagen door moet kunnen. Van Ooijen kon daar geen concreet antwoord op geven. ‘Het is niet alleen aan de ontwerper, maar ook aan de andere betrokkenen. Er zitten zoveel kanten aan de sociale dimensie, dat moet je per plek bespreken.’ 



Pluk van de Petteflet

In de tweede lezing ging Ruby van den Munckhof door op het verhaal van Van Ooijen. Van den Munckhof werkt voor Stipo, een Amsterdams adviesbureau bestaande uit onder meer sociologen, ecologen en politicologen. De aanpak van het bureau: ‘Eerst kijken we naar voor wie het eigenlijk maken en dan pas welke gebouwen erbij horen.’  


De sociaal architect bracht opnieuw de vraagstukken van nu ter sprake. ‘Mensen kunnen minder naar buiten, huizen worden kleiner, de woningnood is enorm. Daarnaast is er sprake van vergrijzing, eenzaamheid, obesitas, geldzorgen en gentrificatie.’ De sociale agenda verliest het vaak bij gebiedsontwikkeling, stelde ze vast. ‘Terwijl we het best kunnen.’ Ze haalde Pluk van de Petteflet aan. ‘In dat verhaal komt het allemaal voor: je moet je buren kennen en samen zorgen voor de openbare ruimte.’


Bonding en bridging

Van den Munckhof dook de theorie in en sprak over bonding en bridging. Bonding gaat over het aangaan van relaties met mensen die je goed kent, bridging over een brug slaan met groepen die je niet goed kent. Beide zijn van belang omdat ze het sociale kapitaal versterken. ‘Maar hoe breng je dat terug in een gebouw?’ Ze maakt daarvoor onderscheid tussen vier lagen van verbinding: schakel van de stad, samenleven, gedeelde ruimte en toevallige ontmoetingen.


Bij de schakel van de stad valt te denken aan plintfuncties die een brug slaan naar de stad, vertelde ze. Zoals grote entrees, kunst en cultuur, en een semipublieke tuin. ‘De binnenstraat van de NYMA makersplaats is een goed voorbeeld. Maar ook Trouw in Amsterdam. Onderin wordt voor levendigheid gezorgd, zodat boven verhuurd kan worden.’


Bij samenleven gaat het om collectieve ruimtes binnen het eigen pand. ‘Dat kan bijvoorbeeld gaan om een yogaruimte die voor lage kosten ter beschikking wordt gesteld. Degene die lesgeeft, moet zorgen voor onderhoud. Of een buurtmoestuin. Steeds gaat het om hoe je iets teruggeeft aan de gemeenschap.’


Bij gedeelde ruimte betreft het ruimtes waar wasmachines staan, feestjes kunnen worden gehouden of een logeerkamer, legde ze uit. ‘Een logeerkamer kan ook iets voor de gemeenschap worden. Dat zij het onderhouden en er geld mee verdienen.’


De toevallige ontmoetingen vinden plaats in de margezone. Vaak is dat op de stoep, maar het kan ook in een woontoren. De brandweer dwarsboomt dit vaak, stelde Van den Munckhof. ‘Dit moet je aan de voorkant bespreken.’



Aan het einde van haar presentatie ging Van de Munckhof in op mogelijkheden om de kwaliteit te borgen. Zo kunnen collectieve taken in een gebouw voor meer ontmoeting zorgen, zoals deelmobiliteit, pakketbezorging en het programmeren van de openbare ruimte. Een andere optie is om de plinten te verhuren: een betaalbare mix voor startende ondernemers. ‘Het mag nooit leegstaan. Op die manier zorg je ook voor waardecreatie.’ Verder kan een beheervereniging een interessant initiatief zijn: een collectief eigenaarschap van de ontmoetingsruimte. ‘Een super-VVE, waarbij het mooi is als naast de bewoners ook de vastgoedeigenaar iets inlegt.’


Een ander ontwerpproces

In het nagesprek pleitte Van Ooijen voor een ander ontwerpproces. ‘Software en orgware moeten bepalen hoe de hardware eruit gaat zien. Zo zorg je voor een maatschappelijk netwerk waardoor de kwaliteit wordt geborgd. Iedere mix vraagt wel om een andere uitwerking van de infrastructuur.’


Wat Hendriks bijbleef, was het vraagstuk van eigenaarschap. ‘Wie is de eigenaar van de ruimte en hoe betaal je het terug? Ik kom dat ook tegen bij de Winkelsteeg. De aanpak is steeds verschillend. Zoveel mogelijk is collectief. We zoeken dan wie de lasten het beste kan dragen.’


Van den Munckhof bracht een voorbeeld in van het Bryant Parc in New York, lange tijd een no-go area. ‘Ondernemers zijn daar iets tegen gaan doen. Dat begon simpel met een ijskar en een bankje, zodat de plek ging leven. Ze investeerden erin. Daardoor werd het vastgoed meer waard en draaiden winkels meer omzet.’ Naast de gemeente kunnen ook andere partijen iets betekenen, wil ze maar aangeven. ‘Kijk waar de kansen liggen.’   



Kip-en-ei-verhaal

Een toehoorder stelde voor om geïnteresseerden meteen al mee te laten kijken bij het ontwerpproces, ook al vallen ze af. Anders duurt het vijf jaar voor ze elkaar leren kennen. Van Ooijen kon zich daarin vinden. ‘In Rijnhaven is het stedenbouwkundig plan al gemaakt. Daarna kijken we pas naar de sociale voorzieningen. Terwijl je ook kunt vragen: het is voor deze bewoners, wat hebben zij nodig aan voorzieningen?’ Volgens Hendriks is dit een kip-en-ei-verhaal. Moet je eerst iets ontwerpen, waar mensen die interesse hebben op afkomen? Of moet je hen een stem geven bij het ontwerpen? ‘In de Winkelsteeg was in het begin de vraag: wie wil daar nou wonen? Dan kijk je eerst hoe je het aantrekkelijk kunt maken.’


Van den Munckhof ziet dat er iets aan het veranderen is in het proces, vertelde ze. Bijvoorbeeld de rol van marktpartijen. Die vinden het heel interessant als mensen voor lange tijd in een gebouw blijven wonen. ‘Elke wisseling kost geld. Vastgoedeigenaren zetten steeds meer in op de lange termijn. Het besef sijpelt door dat het sociale nodig is voor het fysieke. Het kost alleen veel geld.’ Ze benadrukte dat verandering ook een kwestie van uitzoeken is. ‘Het kan zijn dat je samenbouwt aan een nieuw falend experiment, maar dat hoort erbij als je het anders wil doen.’ 


Tot slot was ACN-directeur Dave Willems benieuwd waar de sleutel voor de borging van sociale kwaliteit ligt. ‘Het zit niet alleen in de gebouwen, ook in de route ernaartoe’, zei Van Ooijen. ‘Daarvoor moeten we discipline-overstijgend samenwerken.’ Van de Munckhof gaf aan dat schaalvergroting kan helpen. ‘Als je alleen naar een kavel kijkt, gaat het al snel om geld, maar als je eromheen kijkt, neem je meer zaken mee.’ Hendriks is van mening dat een ontwerper en architect verder moeten kijken dan wat traditioneel gezien zijn opdracht is. ‘Als architect moet je ook nadenken over het trottoir.’   






 
 
 

Opmerkingen


CONTACT
OVER

Architectuurcentrum Nijmegen (ACN)

Winselingseweg 16, U-74

6541 AK Nijmegen

06 11 62 02 17

info@architectuurcentrumnijmegen.nl

www.architectuurcentrumnijmegen.nl

Architectuurcentrum Nijmegen (ACN) verbindt mensen, kennis en ideeën om samen te bouwen aan een stad voor iedereen. Ruimtelijke uitdagingen, zoals de klimaat- en woonopgave en energie- en mobiliteitstransitie, raken ons allemaal. We zien het daarom als onze missie om het gesprek te voeren over onze leefomgeving door mensen met verschillende achtergronden bij elkaar te brengen. 
Lees meer...

logo-nijmegen-rgb_edited.avif
ba5b61_bd913bb8fab64e0baa2cffc5b802573e~mv2_d_3508_2480_s_4_2.avif
ba5b61_ebe2cb07f32d4701b6e59c9178490081~mv2.avif
thumb_49.avif

© Stichting Architectuurcentrum Nijmegen 2021 | Alle rechten voorbehouden

bottom of page