Landschap in verdrukking
- ACN

- 16 feb
- 7 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 24 feb
Slotevent ARO Oost | 12.02.2026 | terugblik
Tekst terugblik: Willem Claassen | Foto's: Rachelle Stoffels
Als het gaat om ons landschap komt er op de korte en de lange termijn veel op Oost-Nederland af. Landbouw, natuur, woningbouw, water, energie, defensie en klimaatvluchtelingen zijn uitdagingen die vragen om een nieuwe landschappelijke balans én om meer zelfbewustzijn. Op 12 februari sloten de zes architectuurcentra uit de regio hun programmareeks ARO-Oost af in het Arnhemse NiCo. Rijksadviseur Noël van Dooren gaf een lezing, waarna bezoekers en enkele speciale gasten konden reageren.

Allereerst werd teruggekeken op de eerdere bijeenkomsten van de reeks. In het kader van Actieprogramma Ruimtelijk Ontwerp (ARO) vonden de afgelopen maanden in verschillende steden programma’s plaats rond het thema landschap. Dit werd telkens gekoppeld aan ontwerpend onderzoek en lokale opgaven. Aan het begin van deze slotbijeenkomst deelden de architectuurcentra de belangrijkste bevindingen.
Conclusies van de vijf programma’s
‘Vuurlandschappen’ stonden centraal in het programma van Rondeel (Deventer) en Bouwhuis (Apeldoorn). Het ging onder meer over mogelijke bosbranden op de Veluwe, vertelde Hans Menke van Bouwhuis Apeldoorn. Onderzoek in Amerika liet zien dat branden niet alleen negatieve, maar ook positieve kanten kunnen hebben: ze bieden nieuwe kansen voor het landschap en brengen mensen dichter bij elkaar. Verder werd gepresenteerd hoe brandpreventie op de Veluwe eruitziet. ‘Met de plannen voor nieuwbouw moet Apeldoorn daar meer mee gaan doen. Dit programma was een mooie opmaat.’
In het programma van ACN (Nijmegen) draaide het om de wateropgave. ‘Wonen op het water is in Nijmegen nog niet echt een ding’, zei Dave Willems van ACN. ‘Er is veel rondom het water gebouwd, maar geen drijvende woningen. Hier speelt ook de verdeling van de domeinen een rol: water hoort niet bij de gemeente, maar bij Rijkswaterstaat. Er is ontwerpend onderzoek nodig om hier verder over na te denken.’
Bij CASA (Arnhem) ging het over gelaagdheid: ecologie, geologie en economie. Het onderzoek van Peter Hermens was Ton Schulte van CASA het meest bijgebleven. ‘Dat ging over aardkundig fundamentalisme: een andere benadering van het landschap, met oog voor de historie. Hermens bracht dat met veel overtuiging door het als een fictieve religie te presenteren.’
Het programma van Architectuurcentrum Twente richtte zich op water. ‘In Twente heb je een netwerk van gelijkwaardige steden en dorpen’, vertelde Ruud van der Koelen van het architectuurcentrum. Hoogteverschillen zijn bepalend voor ontwikkeling, was de conclusie. ‘De bodem geeft de richting voor water aan. Zo heeft noaberschap ook landschappelijke componenten.’
Bij ZAP (Zwolle) werd een excursie gehouden die van buiten naar binnen ging. Het ontwerpend onderzoek had een filosofische benadering. ‘Als je een boom bent, vindt de stofwisseling buiten jezelf plaats’, legde Margret Drok van ZAP uit. ‘Je haalt alles uit de bodem. Zo kunnen mensen er ook naar kijken. Mensen moeten de schop in de grond zetten, zodat ze weer weten waar het om draait.’

Drie forse confrontaties
De lezing van Noël van Dooren, Rijksadviseur voor het landschap, had de veelzeggende titel ‘Het Nieuwe Westen’. Als het gaat om ruimte is er zowel schaarste als overvloed, constateerde hij. ‘Er is nu veel aandacht voor schaarste van woningen, maar we bewonen per persoon veel vierkante meters. Senioren helemaal.’
In de recente Ontwerp-Nota Ruimte ontdekte hij drie forse confrontaties die zeker ook in het oosten van belang zijn. De eerste is het waterthema. ‘Wat betreft zoetwater zullen er door klimaatverandering tekorten komen. Dit raakt de industrie, huishoudens en de landbouw, en het dwingt tot scherpere verdeling. Ook zullen we veel meer water moeten vasthouden.’
De tweede is defensie. ‘Door de urgentie een grote nieuwe speler’, stelde Van Dooren. ‘Er komen nieuwe oefenterreinen, munitieopslag met risicocirkels en laagvlieggebieden. Ze krijgen voorrang op de energiemarkt en zullen ook een claim leggen op de arbeidsmarkt. Defensie verdrijft mogelijk andere ruimtelijke gebruikers, of er zullen bondjes worden gesloten.’
De derde is woningbouw. Er zijn plannen voor 130 locaties in Nederland, legde hij uit. ‘Dit is vaak gebaseerd op bestaande plannen. Maar als je water en bodem sturend serieus neemt, betekent dit nogal wat. Het vergt een andere kijk op woningbouw. De twee-onder-een-kap met auto voor de deur kan eigenlijk niet meer.’
Op het waterthema ging hij nog iets verder in. Dit zal een grote rol gaan spelen in Oost-Nederland, met name de waterverdeling over Waal, Lek en IJssel. ‘Te weinig en te veel water gaat de toekomst van deze rivieren vergaand bepalen.’ Hoogwater zal ook binnendijks moeten worden afgevoerd. Daarnaast is ingrijpen nodig vanwege de bodemdaling van de Waal. ‘Het gaat om het fundamenteel hertekenen van de landkaart.’
Verre toekomst
Kijkend naar de verre toekomst, naar 2126, stipte Van Dooren twee potentiële bewegingen aan die relevant zijn voor Oost-Nederland: zeespiegelrijzing en migratie. De zeespiegelrijzing kan betekenen dat het droge oosten het nieuwe westen wordt. Toekomstbeelden van Nederland onder de noemer ‘Amersfoort aan Zee’ zijn misschien extreem, maar het is wel een serieuze denklijn voor een mogelijke toekomst. ‘Dan krijgen we te maken met schaarste van woningen en voedsel.’
Door klimaatmigratie zou het kunnen dat er straks 40 miljoen mensen in het droge deel van Nederland wonen, gaf Van Dooren aan. ‘Het is misschien luchtfietserij, maar niet onmogelijk. Dat moeten we meenemen bij investeringen op infrastructuur, waarbij gedacht wordt in een termijn van 50 tot 100 jaar.’
Eigen stem, eigen visie
Na de toekomstscenario’s keerde de Rijksadviseur terug naar wat er momenteel in de regio gebeurt qua initiatieven en ontwikkelingen. Hij noemde onder meer de coöperatieve samenwerkingen tussen burgers en boeren, landgoedeigenaren die zich inzetten voor naar natuur, recreatie en landbouw, en het groeiende identiteitsbewustzijn met onder andere streekproducten. ‘Allemaal ingrediënten van een toekomst die van onderop, met eigen kracht, vanuit het nu wordt gemaakt.’
Aan het einde van zijn lezing riep Van Dooren het oosten op om meer de eigen stem en een eigen visie te laten horen. Concreet zag hij wel iets in een gedeelde gedeputeerde die zowel de belangen van Gelderland als van Overijssel behartigt. Ook een bijzondere leerstoel zou een optie kunnen zijn.
In het licht van de eigen stem wenste hij nieuw ontwerpend onderzoek, met meer nadruk op een ongewenst toekomstbeeld. ‘Het gaat nu vaak uit van een gewenst beeld, maar het moet niet alleen leuk en aardig zijn, ook woest.’ Ook sprak hij nog over burgerraden als mogelijkheid voor vernieuwing bij de besluitvorming. ‘Er moeten meer gesprekken worden gevoerd.’

Defensie en kleine stappen
In het nagesprek bleek dat vooral de rol van defensie in het landschap reacties oproept. Een bezoeker meende dat het programma Ruimte voor de Rivier mogelijk een goede aanpak kan zijn voor defensie nu. Een andere bezoeker zag vooral conflicterende belangen. Er waren ook reacties op andere delen van de lezing. Een bezoeker wilde weten hoe we ontwerpend onderzoek kunnen doen naar kleine, haalbare stapjes. Van Dooren begreep die vraag. In zijn lezing zaten vergaande toekomstscenario’s, maar ook hij vindt dat kleine stappen nodig zijn. ‘Bestuur is daarbij belangrijk’, zei hij. ‘Er is veel publieke grond. De vraag is hoe die de komende jaren meer aan de maatschappelijke agenda gekoppeld kunnen worden.’
Regie pakken
Landschapsarchitect Jan Eiting kreeg het woord om te reageren op het verhaal van Van Dooren. Hij was het met de Rijksadviseur eens dat er genoeg ruimte is, ook al vindt iedereen dat het vol is. ‘Maar de olifant in de kamer is nog niet benoemd: de intensieve veehouderij.’ Inkrimping van de veestapel biedt veel mogelijkheden, stelde Eiting. De overheid moet volgens hem de regie pakken. ‘De overheid kan een voorbeeld zijn voor projectontwikkelaars van hoe je gebiedsontwikkeling aanpakt. Daarbij kan defensie een katalysator zijn.’
Saline Verhoeven, eveneens landschapsarchitect, haalde uit de lezing de nadruk op samenwerking. Zelf is ze sinds anderhalf jaar verbonden aan de gemeente Zwolle en ziet ze dat er steeds meer over grenzen heen wordt gekeken als het gaat om woningbouw of de landbouwtransitie. ‘Die betrokkenheid bij het landschap, daar geloof ik in.’ De uitdaging is om het gevoel van samen vast te houden. Ook het doordenken van beleid verdient aandacht, zei ze. ‘We nemen een deel van de grote taak op ons, maar wat betekent dat? Het gebeurt, maar er mag meer over gesproken worden.’

Dirk Vreugdenhil, gedeputeerde bij de Provincie Gelderland, stelde dat we aan de vooravond staan van de emancipatie van ruimtelijke ontwikkeling. Over de Ontwerp-Nota Ruimte was hij niet te spreken. ‘Het geeft geen duidelijkheid, het maakt geen keuzes.’ Er is perspectief nodig, maar dat kan het Rijk nooit geven, betoogde hij. ‘Ik leerde in Den Haag de uitdrukking: “Maak het breed, dan gebeurt er geen…”.’ Volgens Vreugdenhil moet de provincie aan de slag. ‘Wij kunnen het wél doen, omdat we dichter op de materie staan’, zei hij. Hij wilde niet alles bij de politiek leggen. Er is ook een mentaliteitsverandering nodig. Vroeger leefden mensen veel dichter op elkaar dan tegenwoordig. ‘We vinden het moeilijk om afstand te nemen van wat we hebben, maar als je verder wilt komen moet je ruimte leren delen.’
Drama’s en kansen
Stedenbouwkundige Hans Leeflang, medeopsteller van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (Extra), ziet ‘drama’s’ en ‘kansen’ in het landschap, vertelde hij. Hij is van mening dat het geluid van Oost-Nederland in Den Haag amper doorkomt. ‘Het Noorden is beter te horen. Wees duidelijk met wat je wilt.’ Vreugdenhil reageerde: ‘Ik ben meer van het zelf oppakken dan van harder roepen naar Den Haag.’
Mathieu Schouten vertelde kort over de Groene Metropoolregio, een succesvol samenwerkingsverband tussen 17 gemeenten in het rivierengebied. Over de landschappelijke uitdagingen zei hij: ‘Combineer functies en wentel het niet af op de toekomst. Daar proberen we aan te werken.’
Kirsten van Gorkum gaf uitleg over Ontwerplab Gelderland, waar ze op zoek gaan om op nieuwe manieren naar de toekomst en de inrichting van de provincie te kijken. Elke maand vinden er colleges plaats. Ook wordt geëxperimenteerd met het Ministerie van Maak. ‘We proberen een andere manier van denken en doen naar binnen te halen.’
Indira van ’t Klooster (stichting CoLa) blikte terug op ARO en op deze bijeenkomst. Ze had een antwoord op de uitspraak die Vreugdenhil in Den Haag had gehoord: ‘Maak het smal, dan gebeurt het al.’ Ontwerpend onderzoek is een heel interessant middel om vraagstukken zichtbaar te maken, stelde ze. ‘Bijvoorbeeld bij defensie: hoe kun je daar met ontwerp mee aan de slag.’ Elkaar vinden en over grenzen heen kijken is volgens haar de sleutel om de onzekere toekomst tegemoet te treden.

Poëzie
De bijeenkomst werd afgesloten met een gedicht van Jesse Laport, waar de dichter gedurende de lezing en het nagesprek aan werkte. ‘Het oosten heeft de kennis, de kunde en de positie. Zoiets moet je dragen met een dikke laag ambitie.’
Dit programma was onderdeel van Actieprogramma Ruimtelijk Ontwerp – een samenwerkingsverband van de Rijksoverheid, Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, Stichting CoLA en Platform Ontwerp NL – waarin ontwerpend onderzoek lokaal in gesprek worden gebracht.













Opmerkingen