Hoog // Diep: Wederopbouw van de wederopbouw

Nieuwe sociale woningbouw voor de Nijmeegse wijk Jerusalem.



Komende jaren gaat de buurt Jerusalem in Nijmegen-Heseveld tegen de vlakte. Maar de niet door iedereen geliefde grijswitte betonnen huisjes met platte daken, na de Tweede Wereldoorlog gebouwd uit woningnood, verdwijnen niet: ze zullen herrijzen in een eigentijdse versie. Waarom wordt deze wederopbouwarchitectuur weder opgebouwd?




Foto's bij dit artikel zijn gemaakt door Anne Hopman.


In zijn atelier aan de Dobbelmannweg stopt kunstenaar Coen Vernooij zijn hoofd in zijn woonhuis aan de Vuurdoornstraat. Verbonden aan het plafond, hangt op ooghoogte een schaalmodel huis van ijzeren staven, dat zich in werkelijkheid een kilometer verderop bevindt. “Alleen de kozijnen en een enkele deur zijn in dit model zichtbaar,” vertelt hij, wijzend naar het kunstwerk. “Maar het is genoeg om de woning te herkennen.”

Vernooij’s huis staat in Jerusalem, een buurtje in de wijk Heseveld, ingeklemd tussen de Oude Graafseweg en de Molenweg. De buurtnaam is afgeleid van de grijswitte betonnen bouwstijl van de meeste woningen in de buurt: met de platte daken en de smalle straatjes. In heel Nederland, van Amsterdam tot Zwolle, staan een kleine tienduizend van deze Airey-woningen, genoemd naar de Engelse ontwerper die een montagesysteem voor snelbouw bedacht toen er hier na de Tweede Wereldoorlog grote woningnood heerste.

“Toen ik hier twintig jaar geleden kwam wonen, was ik meteen verliefd,” vertelt Vernooij. “Het huis is compact, er is veel licht - de woning heeft niet meer om ’t lijf dan nodig is.” Op een tafel in het atelier liggen tekeningen en plattegronden van de buurt, daarbovenop een laptop met de Facebookpagina ‘Jerusalem-Nijmegen’ geopend - een goedbezochte pagina waarop de kunstenaar nieuws en foto’s van de wijk deelt.

Dat delen van wijknieuws gebeurde afgelopen jaren veelvuldig: in Jerusalem gaat woningcorporatie Talis de aankomende jaren 220 woningen - de gekleurde stapelflats blijven staan - slopen en opnieuw bouwen. Volgens Vernooij is dat nodig. De huizen zijn fragiel en voldoen niet meer aan de energie-eisen van deze tijd. “Als ik op een herfstige dag de verwarming uitzet en een uurtje ga wandelen, is het als ik terugkom binnen net zo koud als buiten.”



Lang proces

Tussen de paperassen op tafel liggen tekeningen van zowel de huidige woningen uit begin jaren vijftig als het ontwerp van de nieuwe huizen. Jarenlang is er weinig gedaan aan onderhoud, het beton is verweerd - daken zijn niet sterk genoeg om zonnepanelen te dragen. Zo’n vijf jaar geleden, vertelt de kunstenaar, werd een bewonersgroep opgericht om samen met Talis na te denken over renovatie. “Renoveren, de huizen inpakken met isolatie, slopen, nieuwbouw, wel of niet aardgasvrij - het was een lang proces.”

Nu ligt er op tafel een folder van aannemer DuraVermeer en Talis waarop de definitieve nieuwe woningen staan. Het lange proces - bewoners op het gemeentehuis, vragen in de gemeenteraad, subsidie van de provincie, stukken in de krant - resulteerde uiteindelijk in de zogenoemde ‘Blokje Om’-woningen, aardgasvrije huizen van houtskeletbouw die in zes weken, inclusief sloop, gebouwd kunnen worden.

Er staat nu zelfs een eerste proefblok in de wijk - de rest wordt in fasen vanaf 2021 gebouwd. Wat opvalt is dat de woningen dezelfde kenmerken als de oude betonnen huizen hebben. Vernooijs vingers glijden over de tekeningen. “Vierkante huizen, platte daken, rechte lijnen, een uitstekende rand bovenop de woning - en dat alles op het huidige stratenplan.”

De huizen, die anderhalve meter dieper worden, blijven op een eigentijds uiterlijk na nagenoeg hetzelfde als de oude gebouwen. Ondanks de tijd en ruimte om iets compleets nieuws uit de grond te stampen wordt de architectuur van de wederopbouw, destijds noodgedwongen tot stand gekomen uit materiaalschaarste en woningnoodzaak, weder opgebouwd. Hoe kan dat?



Staal en beton

Om die vraag te beantwoorden moeten we kijken naar de geboorte van de buurt: begin jaren vijftig, de oorlog vers in het geheugen, heerste er grote woningnood. “In het rivierengebied zaten de fabrieken van traditionele bouwmaterialen als bakstenen en dakpannen nog niet op het oude productieniveau,” vertelt architectuurhistoricus Leon van Meijel. “Er moest ook met andere materialen gewerkt worden, zoals staal en van puinrestanten gemaakte beton. De rijksoverheid stimuleerde daarom de toepassing van nieuwe industriële bouwsystemen.”

De gemeente Nijmegen had snel woningen nodig, legt de erfgoedspecialist uit, die onderzoek deed naar de wijk Jerusalem. “De architect, Berghoef, had in Engeland gekeken naar Airey-woningen en wilde deze in Nederland implementeren: systeembouw van staal met beton, geënt op een vaste maat.” Deze prefab-elementen werden centraal in de fabriek geproduceerd en op de bouwplaats in korte tijd in elkaar gezet. “Zo werd ook het tekort aan geschoolde bouwvakkers opgelost.”

Berghoef, die ook hoogleraar aan de Technische Universiteit Delft was, had een duidelijke visie op zijn woningen, die niet alleen in Nijmegen werden gebouwd. Van Meijel: “De woningen lijken op het eerste gezicht allemaal hetzelfde, maar er zijn negen typen toegepast met verschillende plattegronden, raamformaten, deuromlijstingen, schoorsteenkanalen en soms zelfs met een Frans balkon. Er is veel groen, Berghoef zocht zelfs de type bomen per straat uit. De omhaagde voor- en achtertuinen bieden privacy en zorgen voor een gemoedelijke dorpse sfeer.”

Ook wordt er gespeeld met de ruimte: blokjes woningen staan verspreid door de wijk en niet op één lijn. “Dat doorbreekt de herhaling. Bovendien zijn de zichtlijnen kort. Dat maakt de eigen woonomgeving overzichtelijk en besloten.”

Toch durfde destijds geen van de woningcorporaties het innovatieve project aan. “Onbekend maakt onbemind,” zegt Van Meijel daarover. “Rond 1950 waren in Nijmegen bakstenen huizen met schuine pannen daken nog steeds de norm.” Daarom financierde de gemeente bij hoge uitzondering zelf het project, dat later werd overgenomen door Kolping, de voorloper van Talis. In december 1951 trokken de eerste bewoners in. Enkele van hen wonen er nog steeds.



De gewone man

Een van die bewoners is Jan Peters, woonachtig in de Boksdoornstraat in een met klimop bedekte rijtjeswoning recht tegenover de portiekflats. Op een maandag loopt hij met Hans Wegman, een vriend en buurtbewoner, door Jerusalem. Samen schrijven ze een boek over de buurt, nadat ze al eerder een boek over de aanpalende Molenweg maakten. “De geschiedenis van Nijmegen gaat vaak over notabelen, bestuurders en rijke inwoners,” vertelt Wegman. “Wij willen graag de geschiedenis beschrijven van de gewone man, zoals in Jerusalem.”

Peters loopt, stopt, en loopt weer door. Bij elk huis weet hij iets bijzonders te vermelden: de bouwstijl, het type huis of wie er wonen. Bij elke voorbijganger of auto steekt Peters zijn hand op of maakt hij een praatje. Wegman lacht. “Hoe ver Jan ook loopt, ze kennen ‘m overal.”

“In de jaren vijftig en zestig was dit een wijk voor de geschoolde arbeider,” vertelt Wegman. “De elektricien, loodgieter, politieagent, militair. Het waren veelal jonge gezinnen. In de decennia daarop veranderde die samenstelling wel: de grote gezinnen trokken naar nieuwe wijken in Hatert en Neerbosch-oost. Daarna veranderde de samenstelling door een gewijzigd toewijzingsbeleid - het werd meer een mix.”

Daar leed de sociale cohesie niet per se onder. Peters weet precies waar vroeger de winkels zaten, hij vertelt over een voetbalteam dat door de bewoners werd opgezet. Als we te lang voor een huis staan te praten komt de bewoner vanzelf naar buiten om te vragen wat er aan de hand is.


Buurtliefde

In de Kornoeljestraat wijst Peters naar een huis. “Hier woonde een bewoner die is vertrokken.” Toen bekend werd dat de wijk werd gesloopt konden mensen die wilden een urgentieverklaring krijgen voor een andere woning, plus zesduizend euro. “Daar hebben een tiental gezinnen gebruik van gemaakt, maar deze man hier heeft spijt gekregen, die mist de sfeer van de wijk toch. Zo zijn er meer spijtoptanten.” In totaal zullen 44 gezinnen de wijk verlaten.

Iets verderop laat Peters de verschillen in huizen zien. Hij weet welke tuinhuisjes wanneer zijn gebouwd, hij laat zelfgebouwde vijvers zien, zelfgeplante bomen, hij wijst naar een gesloten hek waarachter bewoners bij hun achtertuin kunnen komen. “Dat hebben de mensen van die huizen samen betaald en aangelegd.” Wegman vult aan: “De gemeente keek niet veel om naar het onderhoud, dus gingen mensen zelf aan de gang. Voor sommige mensen zijn dit hún paleisjes.”

In de Duindoornstraat belt Peters aan bij een huis, de vrouw des huizes doet open. Hij vraagt of we de kelder mogen zien en we lopen over treden van tapijt naar beneden. Daar is een grote ruimte vol banken, een bureau en een televisie. Op de verrookte bruine muur zijn witte plekken zichtbaar - silhouetten van weggehaalde schilderijtjes. “Mijn man was aannemer, hij hield hier bureau,” vertelt ze. Hij onderkelderde zijn woning in de jaren zeventig, wat tientallen mensen deden - de gemeente gedoogde het.