De waarde van Post ’65
- ACN

- 4 dec 2025
- 7 minuten om te lezen
Habitat | terugblik
Tekst: Willem Claassen | Foto's: More or less design
Hoewel de historische waarde van gebouwen en wijken uit de periode 1965-1990 steeds meer wordt gezien, blijft de publieke waardering laag. Nu veel bouwwerken qua duurzaamheid en indeling niet meer voldoen en de sloophamer dreigt, staat Nijmegen voor een prangende vraag: wat moeten we koesteren, en hoe dan? Op 27 november braken in de Vasim vier sprekers een lans voor Post ’65-architectuur in Nijmegen: de architecten Bart van Kampen en Hedwig van der Linden en de erfgoedexperts Leon van Meijel en Martijn Oosterhuis. De presentatie was in handen van Maïté Tjon A Hie.
Architectuurhistoricus Leon van Meijel opende de avond met een lezing over het onderzoek dat hij voor de gemeente deed naar Nijmeegs erfgoed uit de periode 1945-1990. Voor deze opdracht zocht hij naar een narratief en kwam uit bij vier thema’s, zo vertelde hij.
Nijmegen van 1945 tot 1990 in vier thema’s
Het eerste thema is de herrezen stad. ‘Het gaat over het opbreken van de stad en later weer verdichten’, zei Van Meijel, ‘en over de toenemende verkeersdrukte en de latere focus op voetgangers. Daardoor is het heel divers.’ Voorbeelden bij dit thema zijn het Estel-gebouw en de herinrichting van het Trajanusplein. ‘Het Estel-gebouw is door de gemeente al in 2003 aangemerkt als monument. De vraag was hoe je dit gebouw kon herbestemmen en verduurzamen. Nu zitten er nieuwe woningen in.’ Het Trajanusplein is omgevingskunst. ‘Het is eigenlijk de groene variant van de Blauwe Golven in Arnhem.’
Het tweede thema is de verpauperde stad, waarbij gedacht kan worden aan de volksbuurten, zoals de benedenstad. Van Meijel: ‘Woorden die hierbij passen zijn kaalslag, leefbaarheid, participatie en rehabilitatie.’ Als voorbeeld noemde hij De Lindenberg, volgens de architectuurhistoricus een bijzonder gebouw. ‘Drie culturele instellingen zochten synergie om samen op te trekken. Het werd omarmd door de bevolking, maar nu is het verouderd en dichtgeslibd.’ Ook een voorbeeld is de krakersbeweging als subcultuur, denk aan de gebouwen waar De Plak en De Grote Broek in zitten. ‘Deze panden zijn ouder dan Post ’65, maar dragen wel deze periode in zich. Het roept de vraag op: moet je het immateriële beschermen en hoe doe je dat?’
Het derde thema is de bedrijvige stad en gaat vooral over de universiteit en het gebied langs het Maas-Waalkanaal. ‘Nijmegen ging in deze periode van blauwe overalls naar witte boorden, want de dienstensector groeide’, legde Van Meijel uit. ‘Maar het gaat ook over gastarbeiders en ‘No Future’.’ Voorbeeld is de ‘Kathedraal van Philips’, gebouwd toen de micro-elektronica in Nijmegen kwam. ‘Ooit voorgedragen als monument, maar dat werd afgewezen.’ Tweede voorbeeld is de Erasmustoren. ‘Die krijgt waarschijnlijk een transformatie. Het pand valt niet los te zien van de universiteitsbibliotheek en het collegezalencomplex. De staf zat in de toren, de boeken in de bieb en de studenten in de collegezalen.’
Het vierde thema is de expansieve stad, doelend op de nieuwe wijken. ‘Die werden gebouwd om het vertrek van stedelingen naar dorpen een halt toe te roepen.’ Voorbeeld is de experimentele hoogbouw in Dukenburg. Als tweede voorbeeld noemde Van Meijel ‘het groeiconcept van de stad’. ‘Gezin en kerk stonden centraal in de nieuwe woonvelden. Dat is in die periode door ontzuiling en marktdenken losgelaten. Maar is dit model iets voor de toekomst? Misschien past de tienminutenstad bij de parochiegedachte.’

Verhaal achter een gebouw
Samen met Martijn Oosterhuis, werkzaam voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, werd gereflecteerd op de lezing van Van Meijel. Presentator Maïté Tjon A Hie vroeg hoe Oosterhuis keek naar Post ’65. Een boeiende periode, vond hij. ‘Er zijn in die tijd 4 miljoen gebouwen bijgekomen in Nederland, veel experimenten en met een mooie gelaagdheid. Er valt veel te onderzoeken.’
Oosterhuis stelde dat opdrachtgevers het verhaal achter een gebouw moeten weten. Van Meijel was het daarmee eens. ‘De Lindenberg vinden mensen typisch Nijmeegs en karakteristiek, maar het heeft geen status’, zei hij. Renovatie zag het cultureel centrum eerst niet zitten, maar door het onderzoek zijn ze om. ‘Het gaat erom hoe je bij een transformatie het gebouw in ere kunt houden.’ De sloop van het GGD-gebouw laat zien dat je vaak achter de feiten aanloopt, vertelde Van Meijel. ‘Dat is het manke van dit vak.’ De wethouder zal met een tiental parels komen, die enigerlei bescherming zullen krijgen. Oosterhuis voegde toe dat er ook een middencategorie is, tussen parels en gebouwen die niet geliefd zijn. ‘Die categorie mag ook best geborgd worden.’
Transitie van Herta Mohr
De tweede lezing werd verzorgd door architect Bart van Kampen (De Zwarte Hond). Hij lichtte een casus uit: de transitie van Herta Mohr, een gebouw van de Universiteit Leiden. Het werd ontworpen door structuralist Van Stigt en gebouwd in 1980. ‘In 2010 werd het een beschermd stadsgezicht’, vertelde Van Kampen. ‘Dat was belangrijk, want anders was het gesloopt.’ Het gebouw was heel individualistisch ingericht. ‘Je kwam elkaar niet tegen. Het had een paddenstoelstructuur, was muf en donker, en had geen installaties.’
De transitie werd rigoureus aangepakt. De Zwarte Hond haalde een gedeelte van het gebouw weg. Het dak ging eraf en er werd een vierde laag aangebracht. Ook voegden ze een nieuw gedeelte toe, met een duidelijk contrast tussen oud en nieuw. ‘In feite waren het eerst drie gebouwen, nu is het één groot gebouw. Er is nu veel frisse lucht en licht.’

Nieuwsgierig naar het oorspronkelijke ontwerp
In het aansluitende gesprek vertelde Van Kampen dat de gemeente het gebouw wilde behouden, maar de universiteit dacht aan slopen. ‘Nu zijn ze blij en vinden ze het een van hun mooiste gebouwen.’
Oosterhuis gaf uitleg over het kader dat de Rijkdienst heeft gemaakt voor gebouwen die getransformeerd worden. ‘Wij zeggen: doe maar niet te gek. Ga niet te veel zagen. Als je het verhaal overeind houdt, is het goed.’ Het vraagt durf, je moet ingrijpen, stelde hij, maar als je nieuwsgierig bent naar het oorspronkelijke ontwerp levert dat veel op.
Van Kampen heeft ook echt iets meegenomen van architect Van Stigt: ‘Die paddenstoelkolommen. We zijn nu met een nieuwe school bezig en daar maken we ook van die kolommen.’ Ook is hij meer op de context van de historie gaan letten. ‘We keken altijd naar de omgeving. Nu krijgt het een diepere betekenis.’ Oosterhuis: ‘Kaders voelen soms beknellend, maar ze dagen uit om creatief te zijn. Waarom zou je slopen?’
Guest urban critic
De derde lezing kwam van architect en onderzoeker Hedwig van der Linden (Dérive), die dit jaar guest urban critic in Nijmegen was. Een half jaar lang woonde zij als ‘blik van buiten’ bijeenkomsten bij, gaf lezingen, luisterde veel en keek rond. Ze richtte zich vooral op de publieke ruimte. ‘Je hebt parels, maar wat is de ketting?’, vroeg ze zich af.
Van der Linden dwaalt graag door een stad en bekijkt alles vanuit ooghoogte. ‘Nijmegen is een mix van een middeleeuwse stad en een wederopbouwstad’, zei ze. Ze lichtte twee gebouwen uit: De Lindenberg en het Holland Casino. ‘De Lindenberg heeft veel gekke hoeken, maar wat is de aansluiting met de publieke ruimte? Waar is de ingang? Ik denk dat het meer wordt gewaardeerd als het beter in de omgeving past.’ Bij het Casino werd ze getrokken door de achterkant, het expeditiehof waar ze laden en lossen. ‘Daar komen oud en nieuw samen, een fascinerende plek.’
Van der Linden deed eerder in Rotterdam onderzoek naar expeditiehoven. In Nijmegen zocht ze er ook naar. ‘Het zijn er een hoop. Het is de esthetiek van de achterkant, met airco’s, vuilniszakken en andere gebruikssporen. Soms zijn ze al vergroend en vaak hebben ze poorten; je komt een andere ruimte binnen.’
Wat ze Nijmegen mee wilde geven, waren twee boekentips. De eerste: Smooth City van René Boer. ‘Omdat veel steden op elkaar gaan lijken. De insteek is vaak dat je moet kunnen loungen en er is veel commercie. Maar er moeten rafelranden blijven, dat is een balanceeract.’ De tweede: Stadsleven van Richard Sennett. ‘Je hebt de gebouwde stad en de geleefde stad. Bijvoorbeeld expeditiehoven, die zijn ooit gebouwd voor laden en lossen, maar dat gebeurt nu vaak niet meer. Wat doe je er dan mee?’ Ze pleitte ervoor om die hoven meer te laten zien. ‘Kijk wat een bewoner of een ondernemer ermee wil. Bottom up.’ Tot slot zou het haar mooi lijken als Nijmegen een architectuurgids zou krijgen, met een mooie collectie van gebouwen.

Eenheidsworst en ufo in de stad
In het nagesprek ging Van der Linden verder in op de expeditiehoven. Daar moet iets mee, maar het is waken voor eenheidsworst. Van een publiek plein wordt ze niet enthousiast, want die zijn er al. ‘Ook moeten we oppassen dat er geen ontwikkelaars bovenop gaan zitten. Dan komt er geen visie en krijgt een gebouw geen relatie met de achterkant.’
Lisa van der Slot (De Zwarte Hond) bracht nog een casus in: Katshoek in Rotterdam, een brutalistisch gebouw uit 1968. ‘Een gebouw dat eigenlijk te grof is voor de omgeving.’ Met De Zwarte Hond hebben ze een transitie ontworpen, met optopping, die meer past bij de plek. In de plinten komt van alles: makersplekken, een café, kinderopvang en een fietskathedraal. ‘Het expeditiehof erachter krijgt nieuw leven, waardoor het gaat ademen.’
Volgens Van Meijel zou zoiets ook kunnen met De Lindenberg. ‘Het is nu erg naar binnen gekeerd. Men wilde dat je in een cocon met cultuur bezig zou zijn. Daardoor is het een soort ufo in de stad. Het zegt genoeg dat op tien plekken wordt aangegeven welke kant je op moet.’ Er vindt nu een verkenning plaats: behouden of slopen. ‘Als je de kernkwaliteiten van het gebouw verwoord, kun je ermee aan de slag.’ Van der Linden gaf aan dat een ontwerpprijsvraag interessant zou zijn, voor vernieuwende ideeën. ‘Ook moet je lessen trekken uit andere gebouwen.’
Groeten uit Post '65
Op het einde van het programma presenteerde ACN-directeur Dave Willems een bewaardoosje met een serie ansichtkaarten van Nijmeegse Post ’65-gebouwen. ‘Het is informatief en functioneel. Als je een kaart opstuurt, verspreid het zich en kan er meer over nagedacht worden.’ De ansichtkaarten zijn vanaf 15 december verkrijgbaar.

Dit programma was onderdeel van de themareeks ‘Habitat’. In het jaarprogramma 'Habitat' bespreekt ACN hoe Nijmegen zich ruimtelijk kan ontwikkelen tot een nabije stad die leefwerelden samenbrengt én sociaal duurzaam is ontworpen.
ACN voedt het debat over de stad. Dat doen we natuurlijk niet alleen, maar met de ondersteuning van onze sponsoren, subsidiepartners én vrienden! Draag je ACN een warm hart toe en wil je een bijdrage leveren aan ons programma? Word dan vriend van ACN!























Opmerkingen