De binnenstad in verbeelding | Lezingen en theatergesprek over participatie
- ACN

- 9 dec 2025
- 7 minuten om te lezen
Habitat | terugblik
Tekst: Willem Claassen | Foto's: More or Less design
Hoe betrek je bewoners op een goede manier bij stedelijke ontwikkeling? Participatietrajecten verlopen niet altijd goed: vooral de usual suspects zijn vertegenwoordigd, de kaders zijn niet helder of verwachtingsmanagement ontbreekt. Hoe kan dit anders en maak je samen een stad waarin iedereen zich thuis voelt – zelfs de natuur? Op 2 december doken ACN en LUX in het participatieproces met onderzoeker Petra van der Kooij (PBL) en procesmanager Ien van der Coelen (gemeente Nijmegen). Het programma werd afgesloten met een scenariosessie, een alternatieve vorm van participatie, geleid door Ilse Schaminée (LUX).
Waarom kiest een gemeente bij gebiedsontwikkeling eigenlijk voor participatie? Voor een zaal met deels professionals en deels bewoners zette onderzoeker Petra van der Kooij (Planbureau voor de Leefomgeving) dit helder uiteen. ‘Je wilt draagvlak creëren, bewoners meenemen in het proces. Daarnaast kan het betere plannen opleveren, omdat een burger andere kennis heeft dan de gemeente. Ook gaat het om democratische legitimiteit. Burgers hebben het recht om mee te praten over hun leefomgeving.’ Vaak krijgt draagvlak veel aandacht, vertelde Van der Kooij tijdens haar lezing. ‘Het idee heerst dat je daarmee snelheid krijgt met een project. Dat klopt soms, maar het kan ook juist de verkeerde kant opgaan. Mijn advies is om je af te vragen waarom je draagvlak wil creëren en hoe je dat vorm wil geven.’
Er zijn verschillende manieren van burgerbetrokkenheid, legde Van der Kooij uit. Het kan zijn dat burgers betrokken zijn op uitnodiging of op eigen initiatief. Het kan ook zijn dat ze het beleid steunen of accepteren, in dat geval hoor je ze niet. Bij weerstand laten ze wel van zich horen. ‘Deze manieren van betrokkenheid bestaan naast elkaar, maar de omgang is steeds anders.’

Actieve burger, betrokken burger, stille burger en boze burger
Van der Kooij maakte ook onderscheid tussen vier soorten burgers binnen het participatieproces. De actieve burger biedt kansen voor de overheid. Zij hebben draagvlak vanuit de omgeving en nemen kennis mee. Risico is dat ze afhaken als ze dwalende zijn in de bureaucratie van het traject. ‘Ook gaat het vaak om een homogene groep: witte, hoogopgeleide mannen.’
De betrokken burger is welwillend en biedt weer andere kennis. Een risico is de timing: wanneer je burgers betrekt bij een project. Dat moet niet te vroeg en niet te laat. ‘Je kunt kiezen voor de tussenweg. Bijvoorbeeld als al vaststaat dat er woningen worden gebouwd, maar ze mee kunnen praten over de omgeving.’ Je moet uitkijken voor valse verwachtingen. Als voor burgers niet duidelijk is wat er vaststaat, kan dat zorgen voor wantrouwen. Ook is het belangrijk dat een beleidsmaker zich bewust is van de aanwezige kennis. ‘Vaak is een beleidsmaker nieuw, terwijl burgers al een verleden met de overheid hebben. Wees daar bewust van.’
De stille burger is vaak kwetsbaar. Ze spreken een andere taal of hebben te maken met armoede. Het is een diverse groep die belangrijk is om te horen, stelde Van der Kooij. ‘Ze hebben veel potentie, want ze zitten minder vast in hun overtuigingen en je kunt er makkelijker mee discussiëren.’ Via onder meer buurtgesprekken, een stalletje in de wijk, online bijeenkomsten en een burgerforum is deze groep te bereiken.
De boze of bezorgde burger heeft zorgen over de omgeving, bijvoorbeeld over gezondheid of het verdwijnen van culturele waarden. Risico is dat ze worden weggezet als NIMBY (Not In My Backyard). ‘Dat is een vertekend beeld. Ze hebben lokale kennis. Ook hebben ze vaak vooral te maken met de lasten van een project, en niet de lusten.’
Van der Kooij concludeerde dat een beleidsmaker zich niet blind moet staren op één vorm van participatie. Het speelt zich tegelijkertijd af. ‘Denk na over de timing en de ruimte die er is voor participatie. Ga conflicten niet uit de weg. Benader burgers met een dialoog.’

De meerwaarde van participatie
Na de presentatie werd Van der Kooij samen met Ien van der Coelen, procesmanager bij de gemeente Nijmegen, geïnterviewd door ACN-directeur Dave Willems. Hij vroeg zich af wat de meerwaarde is van participatie. ‘Het leidt tot betere plannen’, zei Van der Kooij. ‘Als beleidsmaker heb je een andere focus dan bewoners. Je bent minder bezig met de geleefde wereld.’ Van der Coelen voegde toe dat er veel verschillende belangen spelen bij gebiedsontwikkeling. ‘Het is belangrijk om met alle partijen in gesprek te gaan. De waarde zit in de kennis. Je kunt als gemeente niet alle kennis hebben.’ Als voorbeeld noemde ze de herinrichting van Kelfkensbos. Daar gingen heel wat gesprekken aan vooraf, niet altijd gemakkelijk, maar er kwam een mooi plan uit dat met enthousiasme is ontvangen.
Willems wilde weten hoe een gemeente het beste om kan gaan met het krachtenveld bij een project. Van der Kooij: ‘Wees transparant wie waarover mee mag praten. Vertel altijd wat er al vast ligt. Soms is dat moeilijk, als ze het niet eens zijn met de eerste keuze. Zorg ook voor erkenning: geef aan dat je de zorgen van bewoners hoort. Als ze afhaken, is dat heel jammer, maar je kunt ze niet dwingen te participeren.’
Een van de bezoekers vond dat de gemeente Nijmegen regelmatig de fout maakt dat mensen niet worden meegenomen vanaf het begin van het proces. ‘Ze halen informeren en participeren door elkaar.’ Dat hoor je vaker, stelde Van der Kooij. ‘Bespreek waar je het over gaat hebben en wat er mogelijk is.’ Van der Coelen: ‘Soms is dat moeilijk. Als er al een besluit ligt, kun je daar alles van vinden, maar het besluit staat vast. We hebben veel persoonlijke gesprekken gehad en dat kan soms teleurstellend zijn. Dat neem je wel mee.’ Een bezoeker bracht in dat burgers niet altijd in de gaten hebben met wie ze praten. Dan zijn ze boos op een ambtenaar. ‘Mijn advies: stuur een wethouder die een besluit kan verdedigen.’

Gebruik van social media
Van der Coelen vertelde wat de gemeente onder andere doet om bewoners te bereiken. Naast informatieavonden vinden er events plaats, zoals een clownsact op het Joris Ivensplein. ‘Zo proberen we ouders met jonge kinderen te trekken, die niet naar een informatieavond komen. Of we doen iets met skaten, om in contact te komen met jongeren.’ Ook worden social media ingezet. ‘Een filmpje over het Joris Ivensplein werd door 58.000 mensen bekeken. Zo bereiken we andere groepen. Het is wel moeilijk te bepalen wat je eruit af kunt lezen.’ Is het eigenlijk erg als er een groep oververtegenwoordigd is? Volgens Van der Kooij heb je daar altijd mee te maken. ‘De representatieve democratie moet dit gat vullen. Participatie is een aanvulling.’
Aan het slot van het gesprek gaf een bezoeker aan dat de gemeente faciliterend moet zijn voor belangengroepen zoals wijkraden, zodat ze zich goed kunnen organiseren. Verder is informatie een voorwaarde is om te participeren. Van der Kooij vond dit een mooi punt. ‘Participatie is vaak incidenteel. Als je het structureel aanvliegt, is er meer mogelijk.’

Scenariosessie: loskomen van je eigen rol
Het laatste deel van het programma bestond uit een ingekorte scenariosessie. Vanwege de beperkte tijd liet Ilse Schaminée, programmamaker bij LUX en ontwerper bij Levend Parlement, in treinsnelvaart zien hoe deze methodiek eruit ziet. ‘Eerder ging het al over de stille en de bezorgde burger’, zei Schaminée. ‘Zulke rollen heb je altijd bij een proces. Met deze sessie probeer je los te komen van je eigen rol. Je neemt een andere rol aan. Dat kan ook van een niet-menselijke stakeholder zijn, zoals de natuur. Dit draagt bij aan begrip voor elkaar.’
Schaminée vroeg zeven bezoekers om de theatervloer op te komen. Zij kregen ieder een andere rol: de gemeente, een bewoner die slecht ter been is, een klimaatbewuste fietser, een horecaondernemer, de manager van de Primark, het klimaat in de binnenstad en het kind. Met tape maakten ze om de beurt een vlak op de vloer, passend bij hun rol. Schaminée: ‘Het gaat om de ruimte die je inneemt en dan waar je staat binnen het vlak. Sta je aan de zijlijn of in het midden, en wat is je kijkrichting.’
Vervolgens gaven de stakeholders een boodschap aan elkaar. Zo zei de manager van de Primark tegen de horecaondernemer: ‘We moeten elkaar vasthouden. We hebben elkaar nodig.’ De horecaondernemer sprak tot de gemeente: ‘Ik voel me niet gehoord.’ De gemeente tot de bewoner die slecht ter been is: ‘Ik kan u moeilijk bereiken.’ Steeds mocht de ontvanger heel kort reageren, door aan te geven hoe de boodschap is overgekomen. Schaminée: ‘Het gaat minder om de taal en meer om het voelen.’
De volgende stap van de scenariosessie was het wisselen van rollen. Vanwege het tijdgebrek ruilden alleen de gemeente en de burger die slecht ter been is van rol. Degene die nu de gemeente was, had een nieuwe observatie. ‘Ik sta in het centrum van alles. Dat voelt prettig.’ Degene die nu de rol kreeg van de bewoner die slecht ter been is, had een heel andere ervaring. ‘Het voelt alsof ik geleefd word door de omgeving.’ Schaminée legde uit dat bij een sessie met een normale lengte vaak nog de stem van de toekomst wordt gehoord, en soms die van het verleden. Een sessie eindigt dan met de beginposities en de vraag of er iets is veranderd.
Huilend weglopen
De verkorte scenariosessie werd goed ontvangen door het publiek. ‘Leuk en zinvol om dit zelf een keer te doen’, zei Van der Coelen. Schaminée vertelde dat ze mensen in de rol van de gemeente vaak ziet groeien. Maar twee keer maakte ze mee dat de participanten huilend wegliepen. ‘Ze konden de rol van gemeente niet aan, omdat iedereen iets van ze wil.’ Een bezoeker was zeer te spreken over de visualisatie van de velden op de vloer. ‘Dan zie je dat je niet alleen met de gemeente te maken hebt, maar ook met andere stakeholders. Het toont de complexiteit.’ De taal van de ambtenaar is soms niet te begrijpen voor een participant, merkte een bezoeker tot slot nog op. Schaminée: ‘Ik heb dit ook bij het Radboudumc gedaan. Iemand die de rol aannam van een laaggeletterd persoon plaatste zichzelf aan de zijkant. Die zei: ik weet niet wat ik moet doen.’
Dit programma was door LUX geïnitieerd in het kader van haar 25-jarig bestaan en het 25-jarig bestaan van het Mariënburgplein. Dit programma was tevens onderdeel van de themareeks ‘Habitat’ van ACN. In het jaarprogramma 'Habitat' besprak ACN hoe Nijmegen zich ruimtelijk kan ontwikkelen tot een nabije stad die leefwerelden samenbrengt én sociaal duurzaam is ontworpen.

ACN voedt het debat over de stad. Dat doen we natuurlijk niet alleen, maar met de ondersteuning van onze sponsoren, subsidiepartners én vrienden! Draag je ACN een warm hart toe en wil je een bijdrage leveren aan ons programma? Word dan vriend van ACN!





























Opmerkingen