• ACN

Terugblik 15 MRT// ACN presenteert: Nieuwe woonculturen

Een nieuwe generatie architecten constateert dat de Nederlandse ontwerpsector niet divers genoeg is om de woonwensen van alle Nederlanders te representeren. Veel ontwerpen worden – bewust of onbewust – bedacht voor een gemiddeld Nederlands gezin. Hoe ontwerpen we woningen die beter passen bij gastvrije gezinnen, samenwonende singels en niet-Westerse culturen? En is de ontwerpsector inclusief genoeg om de wensen van een breed palet aan bevolkingsgroepen te vertalen naar een eigentijds ontwerp? Architect Lyongo Juliana en architectuurtheoretica Lara Schrijver verkenden de grenzen van de traditionele architectuurpraktijk en laten zien hoe andere woonculturen kunnen inspireren.

Dit programma gemist? Kijk hier terug!


Woonbehoeftes komen voor een groot deel wereldwijd overeen: we willen beschutting en veiligheid. Maar in de praktische uitwerking van hoe onze woningen eruitzien, kunnen wensen en belangen verschillen. Hoe zorgen we dat woningen aangenaam zijn voor mensen die buiten de norm van het witte vierhoofdige gezin vallen? Architect Lyongo Juliana sprak in de Lindenberg over zijn visie op inclusief ontwerpen en bouwen. Architectuurtheorist Lara Schrijver schuift aan om mee te praten over (gebrek aan) diversiteit in de architectenwereld.


‘Ik ga vanavond meer vragen stellen dan antwoorden geven’, kondigt Lyongo Juliana aan de start van zijn presentatie aan. Later in het programma zal hij dit nog aanvullen met: ‘Het mag best een beetje ongemakkelijk voelen wat ik zeg. Ik probeer te bewerkstelligen dat we gaan nadenken.’ De boodschap van de architect, directeur Caribische Regio bij OZ Architecten, is namelijk kritisch: het stads- en woningontwerp in Nederland is nog veel te weinig inclusief. We ontwerpen en bouwen vaak met het witte gezin van vader, moeder en twee kinderen in het achterhoofd. Maar dit strookt niet met de Nederlandse realiteit. In Nijmegen heeft bijvoorbeeld 27 procent van de bewoners een migratieachtergrond, 15 procent van de Nijmegenaren heeft een niet-Westerse migratieachtergrond. De verwachtingen zijn dat dit op nationaal niveau gaat doorgroeien naar 30 tot 40 procent mensen met migratieachtergrond. Bovendien kent Nederland zo’n 3 miljoen alleenstaanden.

Waarom is dit relevant voor architecten? Omdat gezinnen met een migratieachtergrond en huishoudens met diverse samenstellingen vaak andere woonbehoeftes hebben – waar nu niet in wordt voorzien. In zijn presentatie noemt Juliana een veelvoud aan voorbeelden. Voor gezinnen met migratieachtergrond is het bijvoorbeeld vaak de norm om schoenen uit te trekken bij binnenkomst. ‘Maar Nederlandse huizen en flats hebben kleine halletjes. Dus komen schoenen in de portiek terecht.’ Waar mensen dan vervolgens op aangesproken worden. Nog zoiets: ‘Moestuinen zijn nu hip. Maar toen Marokkaanse gezinnen die dertig jaar geleden aanlegden kregen ze op hun kop: de voortuin moest netjes blijven.’ En die 3 miljoen alleenstaanden hebben wellicht meer behoefte aan ontmoeting, terwijl complexen in Nederland vaak kleine gezamenlijke ruimtes hebben. En waarom bouwen we vaak een grote slaapkamer en een ‘kinderslaapkamer’?

Hoe inclusief ontwerpen er wel uit kan zien, illustreert Juliana desgevraagd met eigen werk. In 2019 opende op Curaçao het Curaçao Medical Center. Juliana hield bij het ontwerpen van het ziekenhuis rekening met de lokale cultuur. Als Curaçaoënaars elkaar bijvoorbeeld ontmoeten, zullen ze niet voorstellen om binnenkort eens koffie te drinken. Nee: ‘Ze voeren dan een gesprek. Dan gaan ze dertig minuten met elkaar praten. Als je daar geen rekening mee houdt, staan ze in de weg.’ Dus kreeg het ziekenhuis een ruime hal. ‘Dat stond niet in de achtduizend regels van het programma van eisen. Die keuze komt voort uit observaties van de cultuur.’ Hij keek bijvoorbeeld ook naar hoe mensen omgaan met zieken. ‘In Curaçao staan vaak tien mensen om het bed. Dat kun je proberen tegen te houden, maar als het goed is voor het welbevinden van de patiënt is het toch prima? Er was geen ruimte voor grotere kamers, maar we maakten een groot balkon aan de kamers om familie de ruimte te geven.’

Illustratie: Drip for Drip

Gemiddelden en extremen

Minder bouwen voor het witte vierhoofdige gezin, en meer rekening houden met de wensen en cultuur van de eindgebruiker dus. Maar, zo luidt de vraag na Juliana’s presentatie, hoe kun je hier rekening mee houden als je de uiteindelijke bewoner nog niet kent? ‘Door zowel de gemiddelden als extremen mee te nemen. Dit doen we bijvoorbeeld al met toegankelijkheid. Ruimtes moeten goed zijn voor mensen die goed te been zijn, maar ook voor iemand in een rolstoel. De eerste moet niet struikelen over de rolstoelhelling. En het kan niet zo zijn dat de tweede via de berging aan de achterkant het gebouw moet betreden.’ Op dezelfde manier kun je ook als je nog niet weet wie er komt te wonen, rekening houden met een diversiteit aan potentiële bewoners. ‘In een brede hal kan ook jij die doordendert met je schoenen vol modder, de woonkamer in.’

Daar komt het ongemak om de hoek kijken. Juliana benadrukt: ‘We moeten accepteren dat wij Nederlanders mensen zijn en dat mensen vooroordelen hebben. We moeten het idee van Nederland als tolerant land loslaten.’ Dan ontstaat er ruimte om blinde vlekken te erkennen, stelt hij. Dat architecten wellicht nog nooit over veel van deze belangen hebben nagedacht. ‘Hoeveel ontwerpers denken aan tienermeiden bij het ontwerpen van de openbare ruimte? Als wij een openbare ruimte ontwerpen die veilig is voor hen, is die ook veilig voor mannen. Maar andersom niet.’ Hij roept ontwerpers daarom op met een open vizier te observeren. Ga naar de plek waar je gaat bouwen, praat met de mensen, ontdek wat de lokale mores is.


Wie ontwerpt? Wie bepaalt?

Daarmee komt het gesprek op een onderliggend probleem. Tijd voor Lara Schrijver, hoogleraar Architectuurtheorie aan Universiteit Antwerpen, om aan te schuiven. Zij staat aan het begin van een verkenning van diversiteit binnen de architectuur- en designsector. Want in een sector waar witte mannen de ruime meerderheid vormen, is de kans op blinde vlekken groter. ‘De architecten die studenten op opleidingen leren kennen zijn bijna allemaal mannen, bijna allemaal wit. Uiteindelijk denk je dan dat de enige manier van ontwerpen is wat Frank Lloyd Wright en Le Corbusier deden, en dan vergeet je wat Lilly Reich en Charlotte Perriand hebben gedaan. Dan worden heel veel dingen onzichtbaar.’ En zo houdt het probleem zichzelf in stand. ‘Ik heb collegezalen met fifty-fifty vrouwen en mannen en bij iedere stap sijpelen er vrouwen weg. En als je dan echt bij de rolmodellen komt: wie geven lezingen, wie lees je? Dat wordt gestaag mannelijker en witter.’


Nu nog bouwen

Zowel Schrijver – onder haar studenten – als Juliana – onder collega’s en opdrachtgevers – zien een stijgende interesse in diversiteit. Maar, merkt Juliana op, ‘er is veel interesse om over het onderwerp te praten, maar het gaat erom dat we het gaan bouwen.’ En daar stokt het nog. Juliana: ‘Als ik met een plattegrond kom die afwijkt van de standaarden, kom ik niet door de selectie.’

Want, vraagt iemand in het publiek, hoe komt het eigenlijk dat die standaardplattegronden voor woningen zijn zoals ze zijn? Schrijver: ‘Tot in de twintigste eeuw zat er overmaat in onze panden. We hadden meerdere ruimtes en die konden we gebruiken als slaapkamers, nu vaak als werkkamer. En als het nodig was, kon de maîtresse ook nog ergens weggeschoven worden. Maar hoe dichter we op de wensen van de markt gaan zitten, hoe meer je op woningen met minimale afmetingen uitkomt.’ Juliana knikt instemmend. ‘Dat is begonnen met de invoering van het bouwbesluit. De minimumeisen die daarin staan, werden de norm. Dat in combinatie met een cultuur waarin zuinig doen als een hoog goed wordt ervaren, en je komt op woningen zoals ze nu zijn.’ Trots van aannemers zit in zo laag mogelijke kosten per vierkante meter, niet in een grote ontvangsthal in een flat met sociale huurwoningen. Dat bouwbesluit, stelt Schrijver, werd verkocht als ‘dit is wat Nederlanders willen’. ‘Maar ik dacht: nee, dit is wat ze krijgen.’

Dat de krappe markt nu weinig ruimte laat om grotere woningen te bouwen, erkent Juliana. Maar hij roept wel op om flexibeler te ontwerpen en bouwen. ‘Nu willen we woningen van veertig vierkante meter, maar in de toekomst kan dat weer anders zijn. Inclusief bouwen is ook duurzaam bouwen. Denk bij het ontwerpen na over hoe je in de toekomst bijvoorbeeld van twee appartementen simpel één kan maken.’ En om die inclusievere woningen en stad te bewerkstelligen, moeten we samenkomen, benadrukt Juliana. ‘Als we echt verandering willen, moet ieder zijn stukje doen. Gemeente, architect, ontwikkelaar. Gemeentes zeggen vaak dat ze inclusieve woningen willen bouwen, maar als een aannemer het anders wil doen, lopen ze aan tegen een enveloppe met voorwaarden. Gemeente en ontwikkelaar moeten je de ruimte gunnen, en als architect moet je je creativiteit inzetten.’


 

Dit is een programma in het kader van ‘PLEK: plaats maken voor de rechtvaardige stad’. Het komende jaar onderzoekt het Architectuurcentrum Nijmegen (ACN) welke maatschappelijke en ruimtelijke interventies bijdragen aan een rechtvaardige stad.

306 weergaven