Hoog // Diep: Indische stenen


Indische huizen aan de Berg- en Dalseweg (MD)

Wie aan de Oost in West denkt, denkt niet meteen aan Nijmegen. Aan Amsterdam met haar grachtengordel misschien, of aan de villa’s rond Den Haag, heel misschien zelfs aan Bronbeek in Arnhem… maar Nijmegen? Toch waren de Waalstad en omgeving tijdenlang een belangrijke vestigingsplaats voor mensen die terugkwamen uit het toenmalige Nederlands Indië. Dan ging het niet alleen om oud-Indiëgangers die hun fortuin daar gemaakt hadden, maar vooral ook om militairen die in Nijmegen – decennialang dé plek van het koloniale leger – waren opgeleid en hier tijdens hun verlof en aan het einde van hun diensttijd neerstreken. Waar verbleven deze mensen? Lieten ze eigen huizen bouwen? Zijn hier Indische invloeden in te zien? In het kader van de Maand van de Geschiedenis met het thema oost / west ging Hoog // Diep-redactielid Mieke Dings op zoek naar Indische sporen in en om de Waalstad.



In dit artikel zijn beelden gebruik uit de collectie van Mieke Dings (afgekort: MD), het Regionaal Archief Nijmegen (afgekort: RAN), J. Franken de Vries, Roger Veringmeijer en Hans en Thijs ten Have.

De Vechtstreek van Nijmegen

‘Oost-Indië’, ‘Batavia’: dit soort namen kwamen al in de 17de eeuw in de buurt van Nijmegen voor. Met name de vruchtbare gronden rondom het kerkdorp Hees waren al vroeg bij welgestelden in trek. Daaronder zaten ook mensen die hun fortuin (soms indirect) in de Indische archipel hadden verdiend, waar Nederland sinds eind 16de eeuw aanwezig was. Want, zoals de Vereeniging Dorpsbelang van Hees in 1912 schreef: “de rijke stroom nam wel hoofdzakelijk zijn loop naar Amsterdam, maar van daar filtreerde hij toch verder het land in”. Ook naar de dorpen rond Nijmegen, want zoals “de Vechtstreek en de omstreken van Haarlem het Beloofde Land waren voor de Rijke Amsterdammers, zoo waren dit Hees, Neerbosch en Hatert voor den Nijmegenaars”. De heuvels in Ubbergen en Beek speelden daar ook zeker in mee. De rijke stroom stolde daar in de vorm van buitenplaatsen. En dat ging zo tientallen jaren door. Dat er in de 19de eeuw de nodige oud-Indiëgangers in Hees woonden, bleek wel uit villanamen als ‘Kemedjing’, ‘Salatiga’ en ‘Insulinde’. Hun aantal nam alleen maar verder toe toen het dorp eind 19de eeuw, net als Ubbergen en Beek, een tramverbinding naar de stad kreeg en er steeds meer plannen voor villaparken rezen. In zowel Beek als Hees waren het lokale notabelen die de handen ineensloegen om samen een villapark te ontwikkelen naar ontwerp van de in Nijmegen welbekende architect Oscar Leeuw. En ze pakten daarbij door: een paar jaar later waren beide dorpen een aantal karakteristieke villa’s rijker. In Beek lagen bovendien alweer plannen voor een volgend villapark op een volgende berg – Mooi Nederland op de Sterrenberg – klaar. Hoezeer Hees inmiddels een ‘Oost in West’ was, bleek wel uit de schets van een inwoner in 1912: “Menigeen, zoals ik, streek hier rustig neer / nadat hij Indië vaarwel had gezegd. Maar er wordt nog dikwijls over ‘de oost’ geboomd / of gezellig een kaartje gelegd”.


Tegen deze aantrekkelijke dorpen moest Nijmegen het gaan opnemen. Eind negentiende eeuw – toen de stad zich eindelijk uit de knellende banden van de vestingwerken had weten te bevrijden – besloot de gemeente om zich tot een aantrekkelijke woonstad voor rijken van binnen en buiten Nijmegen te transformeren. Daarbij stonden de oud-Indiëgangers haar duidelijk als doelgroep voor ogen. Weelderige parken, grootse pleinen en ruime boulevards met riante kavels moesten de welgestelden verleiden om hier voortaan hun villa te bouwen. De stadsuitleg was zo fraai dat zelfs de koningin zich geroepen voelde om in 1890 even polshoogte te komen nemen. En ze had het beoogde effect, zeker in de beginfase. Eén van de oud-Indiëgangers die de stad wist aan te trekken, was de familie Hüffer-Wilde, die haar fortuin met name aan de plantage van haar ouders te danken had. Zij liet op een riant perceel op één van de mooiste plekjes van Nijmegen – namelijk op de hoogte van de Hunnerberg – de enorme, door Leeuw ontworpen, Villa Salatiga neerzetten. Vanuit de in verschillende stijlen weelderig vormgegeven villa en vooral vanuit het halfopen theehuis in de tuin had de familie een weids uitzicht op de Ooijpolder. Als de familie hier op een zonnige dag door haar oogharen keek of in de verwarmde (!) kas rondliep, waande ze zich misschien wel weer even terug in de bergen rond Salatiga op Java. Op dit soort kunstwerken had de gemeente bij de stadsuitleg natuurlijk stilletjes gehoopt. Langs de nieuwe singels en uitvalswegen had ze vrijstaande villa’s en herenhuizen gedacht. Ook die kwamen er, mede door toedoen van oud-Indiëgangers. Een goed voorbeeld van zo’n vrijstaand herenhuis hiervan is Huize Padang aan de Groesbeekseweg. De veelvuldig in Nijmegen bouwende architect P.G. Buskens ontwierp dit huis in 1912 voor ene J. Boele, die het ongetwijfeld met reden de naam Padang gaf. Dit betekent letterlijk ‘vlakte’, maar is ook een stadsgemeente op West-Sumatra.

Een nieuwe militair

Helaas voor de gemeente liep niet alles zoals aan vergader- en tekentafels was bedacht. De verkoop van grote kavels en de bouw van villa’s verliep moeizaam, waardoor ze uiteindelijk meer aaneengesloten bebouwing moest toestaan. Ook kwamen er in de loop der jaren hele andere oud-Indiëgangers dan de rijke pensionado’s waar ze met de stadsuitleg in eerste instantie op gemikt had. Want: in 1890 was besloten om in Nijmegen een Koloniale Reserve te vestigen, een nieuwe militaire eenheid die de werving en opleiding voor het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) zou gaan verzorgen. Dat had namelijk nogal een slechte naam gekregen. Het voormalige werfdepot in Harderwijk werd ook wel het ‘riool van Europa’ genoemd omdat het vooral werklozen en – om uiteenlopende redenen – kanslozen uit Europa waren die zich voor dit niet ongevaarlijke avontuur lieten ronselen. Toen het protest van de overwegend christelijke bevolking daar sterk was toegenomen en er ook steeds meer kritiek op het KNIL in het algemeen was doorgeklonken, had de rijksoverheid besloten tot de vorming van een Koloniale Reserve en wel in Nijmegen, waar toch al veel kazernes waren. Het streven was om hier een ‘nieuwe militair’ te creëren en daarom was de selectie van meet af aan een stuk strenger: voortaan mochten alleen Nederlanders zich aanmelden en moesten zij bewijzen over een goede gezondheid en goed gedrag te beschikken. Om dit laatste te vereenvoudigen, kregen ze hun aanmeldpremie voortaan niet meer in contanten uitbetaald, maar op een rekening gestort. Ook kregen ze nieuwe uniformen en konden ze op betere zorg vanuit de KNIL rekenen. Alleen de huisvesting – in de dicht bij de verlokkingen van de benedenstad gelegen en verouderde Waalkazerne en Valkhofkazerne – zat nog wat tegen. Nieuwe huisvesting stond dan ook hoog op de agenda.

Prins Hendrikkazerne 1920 (MD)

Die huisvesting kwam er, en hoe! In 1908 kreeg de minister van Koloniën toestemming om op het Molenveld, dat gemeenteraadslid J.H. Graadt van Roggen in 1901 met het oog op het kazerneprobleem op eigen initiatief had aangekocht, ten noordoosten van de reeds gerealiseerde Krayenhoff- en Snijderskazerne, een kazerne en hospitaal voor de Koloniale Reserve te bouwen. Een paar jaar later opende de Prins Hendrikkazerne zijn deuren. De kazerne, ontworpen door de Haagse architect Jan Limburg, bestond uit een nog altijd bestaand frontgebouw met ingang aan de Oude Daalseweg met daarachter de kazernes en bijgebouwen. Ten zuiden hiervan lag het inmiddels afgebroken ziekenhuis dat een eigen toegangsweg had vanaf de Postweg. Het geheel was, ondanks het ietwat smalle terrein, ruim opgezet en van vele moderne gemakken voorzien. Zo had het elektrische verlichting en centrale verwarming en volgens journalisten waren de toiletten van de manschappen “bijna volmaakt en behoren tot de best ingerichte van Europa”. Foto’s uit die tijd tonen daarnaast bovendien een uiterst professioneel uitgeruste keuken – waar volop Indisch gekookt werd! – en ruime en lichte gymnastieklokalen. Dat het nieuwe pronkstuk van de Koloniale Reserve met kop en schouders boven de meeste andere kazernegebouwen uitstak, bleek wel uit het feit dat het – na een succesvolle eerste kennismaking in 1912 – de al langer bestaande Vierdaagse uiteindelijk naar Nijmegen wist te halen. De Prins Hendrikkazerne bleef nog lange tijd het centrale punt van de afstandsmarsen.

Beddeke gespreid

Mede door de prachtige kazerne wist het Korps Koloniale Reserve voorbeeldige militairen op te leiden die tijdens hun door het muziekkorps begeleide tocht van de kazerne naar het station – over de Groesbeekseweg en via het Keizer Karelplein naar de Stationsweg – door de Nijmeegse bevolking werden uitgezwaaid, waarna bij het station nog een korte plechtigheid en een ‘behouden vaart!’ volgde. De militairen gingen in principe voor zes jaar weg, waarna ze recht hadden op een half jaar of een jaar verlof. Als ze dat verlof in Nederland door wilden brengen, moesten ze zich altijd eerst melden in Nijmegen. Datzelfde gold voor diegenen die na 15 tot 24 jaar dienst, voorgoed terugkeerden naar Nederland. Vaak konden deze verlofgangers of gepensioneerden tijdelijk bij familie terecht, verbleven ze in pensions of door particuliere gerunde verlofhuizen. De vermogende gepensioneerden kochten vervolgens een herenhuis of lieten er één bouwen, bijvoorbeeld aan de Groesbeekseweg of Oranjesingel. Maar ook waren er verschillende oud militairen, met name de onderofficieren en gewone militairen, die een karig pensioen hadden en aan de bedelstaf of de drank raakten. Sommigen kwamen zelfs in de klauwen van woekeraars terecht. Voor de ongehuwde en invalide gepensioneerden was in 1863 het welbekende Bronbeek in Arnhem geopend. Hier was plek voor 220 man. Dat was echter niet voldoende.

De in Nijmegen woonachtige KNIL onderluitenant en geheelonthouder Arie van Boxtel trok zich het lot van de oud KNIL militairen aan. Om hen na terugkeer in Nederland aan werk te helpen startte hij in 1913 al de Arbeidsbeurs in de Prins Hendrikkazerne. Een paar jaar later – de Eerste Wereldoorlog was nog niet voorbij – lanceerde hij met hulp van een aantal gelijkgestemden het plan voor de stichting van een tehuis op loopafstand van de kazerne, waar “den Oud-Indischen militair […] op zijn gemak, op arbeid in de burgermaatschappij wachtende, onder voldoend toezicht, als vrij man en burger, gevrijwaard voor den woeker, korter of langer verblijf kan houden en desgewenscht ook later weer terugkeren kan”. Om dit ‘Plan van Boxtel’ financieel mogelijk te maken kwamen er collectebussen op de plekken waar de militairen in Indië hun salaris ophaalden en oproepen tot donaties in verschillende kranten. Omdat de initiatiefnemers enkele belangrijke mensen aan zich wisten te binden – waaronder de inmiddels omstreden, maar destijds nog geprezen oud gouverneur-generaal van Nederlands-Indië Jo van Heutz – ging het geld stromen. Nog voordat de Stichting zich officieel had ingeschreven, had ze al een 4 hectare groot stuk grond tussen de Berg en Dalseweg en de Kwakkenberg gekocht. Waarschijnlijk was hier bouwen kostbaar of complex, want in 1919 greep de Stichting de kans om het voormalige hotel de Doelen aan de later gebombardeerde Varkensmarkt over te nemen. Hier konden zo’n 30 tot 40 man tegelijk verblijven, tegen een lage huurprijs. En dat deden ze dan ook volop: in 1920 verzorgde het hotel in totaal 12.000 dagen volpension en versterkte nog eens honderden losse maaltijden. Omdat het toch nog dikwijls ‘nee’ moest verkopen, keek de Stichting ondertussen ook alweer verder om zich heen.

Daarbij dook het plan voor een nieuw tehuis aan de Berg- en Dalseweg weer op. Maar omdat de financiën voor nieuwbouw (nog) niet toereikend waren, begon ze eerst met de bouw van twee rijen van ieder tien ‘middenstandswoningen’ waarvoor ze rijkspremie kon krijgen. Deze nog altijd bestaande boven- en benedenwoningen met ruime voor- en achtertuinen, naar ontwerp van woningbouwarchitecten J.D. Looyen en (A.?) van Baalen, zouden getrouwde stellen met eventuele kinderen kunnen huisvesten, zodat de Doelen zich voortaan op alleenstaanden kon richten. In 1922 waren de woningen gereed. De helft was meteen “volledig gemeubileerd en van huis en keukenraad voorzien, zoodat de oud-Indische militairen of verlofgangers, die hier ter stede aankomen, aanstonds hun beddeke gespreid en de tafel gediend vinden”. In één van de huizen woonde zelfs een opzichter.

Na een paar jaar bleek de bezetting van de huizen echter te minimaal te zijn om de kosten te kunnen dekken en niet veel later besloot de Stichting ze daarom te verkopen. Met het vrijgekomen geld – en een flinke bijdrage uit een Indische loterij – wist ze niet veel later de voormalige villa van Oscar Carré op een flink perceel in Hees te kopen. Hier, te midden van alle oud-Indiëgangers die Hees nog steeds telde, zou de Stichting na verbouwing onder de naam Huize Insulinde haar definitieve plek vinden. En haar hoogtijdagen beleven, omdat door flinke propaganda in de jaren dertig de donaties bleven binnenstromen. Daardoor – en door de eigen moestuin en varkens - kon de Stichting hier met gemak 55 man onderhouden in 9 gezinskamers en 23 eenpersoonskamers met opklapbedden en vaste wastafels. De doorstroom van gezinnen was vrij groot, die van alleenstaanden lag een stuk lager. Zij hadden het over het algemeen best naar hun zin. Arie van Boxtel kon, toen de Arbeidsbeurs in 1938 haar zilveren jubileum vierde, tevreden op zijn levenswerk terugkijken.

Zo gewoon mogelijk Dit alles werd bruut onderbroken door de Tweede Wereldoorlog (WOII). Huize Insulinde werd gevorderd door de Duitsers en de bewoners – ook degenen die net de oorlog in Nederlands Indië ontvlucht waren – moesten elders onderdak vinden. Toen de Stichting het in 1946 weer in handen kreeg, was het huis danig beschadigd. Gulle donaties maakten de wederopbouw mogelijk. En dat was maar goed ook, want ondertussen was de stroom uit het inmiddels ook bevrijde, maar door de onafhankelijkheidsstrijd zeer roerige voormalig Nederlands-Indië al ruimschoots op gang gekomen: in de periode 1945-1949 kwamen er al rond de 100.000 mensen (tijdelijk) terug. Oud militairen stonden te dringen voor het hek en in 1948 moest de directeur een opnamestop afkondigen. Datzelfde jaar opende de Dienst Maatschappelijke Zorg (DMZ) op een braakliggend terrein aan de Tollenstraat langs het spoor een kamp met houten barakken voor de eerste opvang van KNIL militairen. Maar ook dat zou al spoedig te klein zijn. Toen Nederland in 1949 de soevereiniteit over Nederlands-Indië officieel overdroeg en daarmee de Republiek Indonesië volledig erkende, had het KNIL leger al snel geen taak meer en kwamen nog eens ruim 80.000 ambtenaren, onderwijzers, burgers en militairen naar Nederland. Onder hen waren ook 12.500 KNIL militairen van Molukse afkomst die niet in Indonesië konden blijven omdat ze aan Nederlandse zijde gevochten hadden en die ook niet naar de Molukken konden omdat Nederland de door hen gesteunde Republiek der Zuid-Molukken (RMS) niet erkende. Idee was toen nog dat ze tijdelijk in Nederland zouden blijven. Het Nederlandse en Molukse marinepersoneel van de KNIL kreeg onderdak toegewezen in een voormalig wederopbouwkamp – waar voorheen de bouwvakkers van Nijmegen sliepen – aan de Ten Hoetstraat in de wijk Hunnerberg in Nijmegen. De eigenaar hiervan ontving voor ieder van hen een bijdrage in ruil voor kost en inwoning. Veel Molukkers maakten zo voor het eerst kennis met groenten als andijvie en witlof. Later – toen de rijksoverheid ook hoteleigenaren opriep mee te helpen – volgden meer van dit soort contractpensions.

De omstandigheden hier waren uiteraard niet ideaal. De voorzieningen waren dikwijls primitief en er was weinig privacy. Waar veel Molukkers nog steeds uitgingen van een spoedige terugkeer naar hun geboortegrond, wilden de ‘repatrianten’ toch wel graag zo snel mogelijk hier een eigen woning betrekken. Sinds haar oprichting in 1947 hielp Stichting Pelita – genoemd naar een olielampje dat als wegwijzer fungeerde – de slachtoffers van WOII in Nederland onder andere aan huisvesting. In verschillende steden bouwde zij de zogenaamde Pelitawoningen: keurige in baksteen opgetrokken rijtjeshuizen die voorzien waren van een Pelita gevelsteen naast de voordeur. Ook Nijmegen kreeg twee rijen van ieder tien van deze huizen aan de Abeelstraat, vlakbij de voormalige ‘Plan van Boxtel’ woningen. Hier namen grotendeels weduwen, al dan niet met kinderen, hun intrek. Pelita keek bij de woningverdeling naar het vooroorlogs inkomen en hielp alleen diegenen die in Nederland wilden blijven en die ‘redelijkerwijs gesproken’ in staat waren om zich financieel te redden. De rest moest wachten totdat er huizen beschikbaar kwamen. Door de enorme naoorlogse woningnood kwamen die echter niet zomaar. Om wat meer schot in de zaak te brengen volgde in 1950 de Wet Huisvesting Gerepatrieerden, die gemeenten dwong om, al dan niet via tussenkomst van provinciale DMZ inspecteurs, een deel van de woningvoorraad voor gerepatrieerden te reserveren. Zo ging uiteindelijk naar verluid twintig procent van de woningen in de Kolpingbuurt naar voormalige KNIL militairen, die daar aanvankelijk met argwaan bekeken werden. In de jaren zestig – toen duidelijk was dat Molukkers niet meer terug konden en de stroom vanuit Indonesië onverminderd doorging – kwamen er voor hen nog 42 rijtjeshuizen in de Angerensteinstraat en Gerensteinstraat in Hatert bij. Vanuit deze eenvoudige huizen aan de rand van deze nieuwe wijk konden ze alsnog in de samenleving integreren, zo was het idee.


Nu zijn deze doodnormale rijtjeshuizen in Hatert één van de laatste plekken in Nijmegen waar de sporen uit de Indische archipel nog voelbaar zijn, omdat er nog steeds Molukkers wonen. De gemeenschap zelf is blij met de toezegging die ze een paar jaar geleden van de gemeente kreeg: “het ouderlijk huis is voor ons meer dan stenen; je familie, je gezin en alles wat je van je ouders hebt meegekregen, zit in dat huis. We hebben er een band mee. Als we het huis kwijtraken, raken we een stuk van onszelf kwijt. Onze familieband is heilig. Veel kinderen blijven in de buurt wonen, omdat die deel uitmaakt van hun gemeenschappelijke geschiedenis.” Veel andere sporen verdwenen omdat de gebouwen tegen de vlakte gingen of een andere bestemming- dan wel bewoners kregen. Het naoorlogse vooruitgangsdenken en de toenemende schaamte over het koloniale project – met het verwoestende cultuurstelsel en bloederige oorlogen – en over de nasleep ervan hielpen niet bepaald om de geschiedenis van de plekken levend te houden. Zo is van de opvangkampen geen spoor meer te bekennen en staat van Huize Insulinde alleen nog het hekwerk en de straatnaam overeind. De ooit zo geprezen kazerne huisvest nu asielzoekers en een basisschool en de grootse villa’s en woningen aan de Berg- en Dalseweg en Abeelstraat hebben andere eigenaren en bewoners. Vrijwel niets wijst hier nog op de sterke band die Nijmegen lange tijd met Nederlands Indië had. Boeken, websites, herdenkingen en recente straatnaamgevingen in de nieuwe buurt Batavia helpen deze geschiedenis in ieder geval enigszins aan de vergetelheid te onttrekken. Maar het (nog) ontbreken van een Nijmeegse route in projecten als Koloniaal erfgoed te voet en de nog zeer beperkte kennis over eventuele Indische Sporen van slavernijverleden in Nijmegen maken duidelijk dat er nog voldoende werk aan de winkel is. En anders doen de vragende blikken van bekenden en collega’s – Indisch Nijmegen??? – dat wel.



Met speciale dank aan: Else Gootjes, Pieke Hooghoff, Laura de Jong, Annemiek Lukassen.


Mede mogelijk gemaakt door het Prins Bernhard Cultuurfonds

Bronnen en meer info:

Maikel Ehlebracht, Indische sporen in Nijmegen en Hees (scriptie), Nijmegen 2009. F. Fokkers, ‘Voor den oud-Indischen Militair’, Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 14 mei 1916, z.p.

‘Geschiedenis van de archiefvormer’, Inventaris van het Archief van de Stichting Pelita (Nationaal Archief), via: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.19.219


Gabriella Hendriks, ‘Halve-eeuwfeest wordt afscheidsfeest?’, De Nijmeegse Stadskrant, juli 2014, via: http://www.denijmeegsestadskrant.com/artikel/201407/halve-eeuwfeest-afscheidsfeest.html Pieke Hooghoff, Bandoeng aan de Waal. Indische Nijmegenaren in het begin van de twintigste eeuw, Nijmegen: Boekhandel Roelants, 2000. Pieke Hooghoff, Humphrey de la Croix, ‘Indisch Nijmegen’, Huis van de Nijmeegse geschiedenis, 2012, via: https://www.huisvandenijmeegsegeschiedenis.nl/info/Indisch_Nijmegen Indisch Historisch, via: http://www.indischhistorisch.nl/

Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Beschermd stadsgezicht. De 19deeeuwse stadsuitleg, Amersfoort 2013. Loet van Sluis, Een eeuw Mooi Nederland, Beek-Ubbergen: Stichting Museum Mooi Nederland, 2011. Stichting PION via: https://stichtingpion.nl/index.html


Wilfried Uitterhoeve, Billy Gunterman en Ruud Abma, Nieuwe historische atlas van Nijmegen. 2000 jaar stad aan de Waal, Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2018.


Vereeniging Dorpsbelang, Het schependom van Nijmegen in woord en beeld. Geschiedkundie en hedendaagsche beschrijving van Hees, Neerbosch en Hatert, Hees 1912.


Clemens Verhoeven, Het vergeten korps. De geschiedenis van de Koloniale Reserve, Nijmegen: Uitgeverij Vantilt I fragma, 2012.


‘Woningen der Stichting Verblijf voor den Oud-Indisch Militair te Nijmegen’, Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 19 augustus 1922, z.p. ‘Zilveren jubileum van “Plan van Boxtel”’ , Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 15 oktober 1938, z.p.

Dit onderzoeksartikel kwam mede tot stand dankzij een bijdrage van het Prins Bernhard Cultuurfonds Gelderland.

529 keer bekeken

Gerelateerde posts

Alles weergeven
CONTACT
OVER

Architectuurcentrum Nijmegen

Spoorstraat 268

6511 AH Nijmegen

06 11620217

info@architectuurcentrumnijmegen.nl

www.architectuurcentrumnijmegen.nl

Het Architectuurcentrum Nijmegen (ACN) is het centrum voor ideevorming en uitwisseling over architectuur, stedenbouwkunde en de ruimtelijke ontwikkeling van Nijmegen. In samenwerking met relevante partijen worden producties opgezet, debat-avonden en activiteiten georganiseerd. Het ACN zet daarbij haar kennis en netwerk in om dilemma’s in de stad te duiden, op de agenda te zetten en oplossingen aan te dragen. Lees meer...

© Stichting Architectuurcentrum Nijmegen 2021 | Alle rechten voorbehouden